Communicatie over het congres:
vckjpp@vvgg.be

Congressecretariaat:
De praktische organisatie van het congres gebeurt door de VVGG
Tenderstraat 14, 9000 Gent
tel. 09 221 44 34
fax 09 221 77 25
info@vvgg.be

Met Control + f kan u zoeken op de pagina

P01 Faalangst en burn-out op school: de rol van opvoedingskenmerken en de mediatie via niveau en contingentie van academische zelfwaardering
Sofie Wouters, doctor in de psychologie, postdoctoraal onderzoeker, Schoolpsychologie en Ontwikkeling in Context, KU Leuven
Bijkomende auteurs:
Hilde Colpin, Koen Luyckx & Karine Verschueren, Schoolpsychologie en Ontwikkeling in Context, KU Leuven
Deze studie onderzocht de relatie tussen gepercipieerde opvoedingskenmerken (voorwaardelijke aandacht, psychologische controle en responsiviteit) enerzijds, en faalangst en schoolgerelateerde burn-out anderzijds. Daarbij zoomen we ook in op de mediërende rol van het niveau en de contingentie van academische zelfwaardering. Het niveau van zelfwaardering verwijst naar de mate waarin iemands zelfwaardering hoog of laag is, terwijl contingentie verwijst naar de afhankelijkheid van zelfwaardering van bijv. academische prestaties of eisen.
Leerlingen in het secundair onderwijs (N = 1958; M leeftijd = 15.33 jaar) rapporteerden over opvoedingskenmerken van hun moeder, niveau en contingentie van academische zelfwaardering en symptomen van faalangst en schoolgerelateerde burn-out. Op basis van een cross-sectioneel design, toonden padanalyses aan dat gepercipieerde psychologische controle en responsiviteit, maar ook voorwaardelijke aandacht van de moeder, vaak direct én indirect, via beide aspecten van academische zelfwaardering, waren gelinkt aan emotionele problemen. Onze studie benadrukt zo de centrale rol van verschillende aspecten van academische zelfwaardering in de link tussen opvoeding en emotionele problemen.

P02 Cross-sectorale samenwerking in de aanpak van multipele en complexe noden bij adolescente meisjes.  Kwantitatieve data: doelgroepomschrijving en hulpverleningstrajecten
Helena Van den Steene, arts specialist in opleiding (KJP), doctoraatsstudent, Universiteit Antwerpen - CAPRI jeugd
Bijkomende auteurs:
Inge Glazemakers, Dirk van West
Adolescente meisjes met multipele en complexe noden (MCN) ervaren ten gevolge van ernstige en gecombineerde problematiek op verschillende domeinen ((geestelijke) gezondheid, sociaal netwerk, onderwijs, justitie) verregaande moeilijkheden wat betreft persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke integratie. Deze meisjes doorlopen vaak zeer uitvoerige en gefragmenteerde hulpverleningstrajecten die onvoldoende tegemoet komen hun intensieve hulpverleningsnood.
Voorliggend onderzoek bestudeert het innovatief hulpverleningsconcept - gebaseerd op doorgedreven samenwerking tussen Bijzondere Jeugdzorg (Van Celst, Jeugdzorg Emmaüs) en Kinderpsychiatrie (Universitaire Kinder – en Jeugdpsychiatrie Antwerpen) - dat werd uitgewerkt om aan de maatschappelijke nood op vlak van hulpverlening aan adolescente meisjes met MCN tegemoet te komen. Doelstelling is deze werking verder te documenteren en te onderbouwen, en te komen tot aanbevelingen om het zorgaanbod te optimaliseren.
Kwantitatieve (dossieranalyse, vragenlijsten) en kwalitatieve (focusgroepen, interviews) methodes worden ingezet om te komen tot een doelgroepomschrijving, een beschrijving van de  hulpverleningstrajecten en een evaluatie van de meerwaarde van cross-sectorale samenwerking binnen de trajecten van Van Celst, vanuit de perspectieven van cliënten (jongeren en hun belangrijke naasten) en hulpverleners.
In deze poster wordt het kader van dit onderzoeksproject geschetst en worden de resultaten van het kwantitatief onderzoeksluik gepresenteerd. Een samenspel van kwetsbaarheden en problemen op biologisch, psychisch en sociaal- contextueel domein, naast een complexe hulpverleningsgeschiedenis worden geïllustreerd. Ook geven deze resultaten inzicht in de huidige hulpverleningsnetwerken die worden uitgebouwd.
 
P03 Ouderlijke percepties van onrechtvaardigheid en kwaadheid in de context van pediatrische pijn: een focusgroepstudie
Fleur Baert, master of science klinische psychologie, PhD-student, Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie, Universiteit Gent
ACHTERGROND: Onderzoek toont aan dat percepties van onrechtvaardigheid op negatieve wijze bijdragen tot pijnuitkomsten. Kwaadheid werd reeds geïdentificeerd als dominante emotie bij percepties van onrechtvaardigheid, die bovendien de pijnervaring kan verergeren. Deze onderzoekslijn bleef echter steeds beperkt tot een intrapersoonlijke context, hoewel steeds duidelijker wordt dat pijn bestaat in een interpersoonlijke context. Dit is bijzonder belangrijk in de ouder-kind relatie, waar ouderlijke percepties, geassocieerde emoties en gedragingen een invloed kunnen hebben op de pijnervaring van het kind. Echter, onderzoek naar ouderlijke percepties van onrechtvaardigheid in de context van pijn bij kinderen ontbreekt. Voor het initieel begrijpen van de fenomenologie van ouderlijke  percepties van onrechtvaardigheid en de potentiële relatie met kwaadheid, zijn kwalitatieve onderzoeksmethoden meest aangewezen.
METHODE: Vijf focusgroepen (totaal N = 17) worden uitgevoerd, waarvan transcripten onderworpen worden aan interpretatieve fenomenologische analyse. Tot dusver zijn data van drie focusgroepen beschikbaar.
RESULTATEN: Preliminaire analyse van deze data onthulde enkele cruciale onrechtvaardigheids-gerelateerde thema’s zoals gebrek aan validatie van pijn, nalatigheid van hulpverleners, beschuldiging/veroordeling en een verloren kindertijd ten gevolge van de pijn. In lijn met voorgaand onderzoek bleken gevoelens van kwaadheid, maar ook verdriet hier een plaats te hebben.
CONCLUSIE: De huidige bevindingen belichten thema’s die relevant zijn voor ouderlijke perceptie van onrechtvaardigheid en geassocieerde emoties binnen de interpersoonlijke context van pediatrische pijn.
 
P04 Distress bij moeders van kinderen met diabetes type 1: Impact op het kind en modererende rol van adaptieve emotieregulatie - PDF
Cynthia Van Gampelaere, doctoraatsstudent, Universiteit Gent
Bijkomende auteurs:
T. Vervoort,  K. Luyckx, A. De Paepe, S. Van Aken, L. Goubert
Doelstellingen: Ouders van kinderen met Type 1 diabetes (T1D) rapporteren veel stress en angst, gevoed door bezorgde gedachten over korte en lange termijn gevolgen van de chronische ziekte. De literatuur toont aan dat ouderlijke stress en angst geassocieerd zijn met een verminderd functioneren bij het kind met T1D. Tot op heden is er weinig gekend over mechanismen die kunnen optreden als buffer tegen de negatieve effecten van ouderlijke stress en angst. Het eerste doel van deze studie was het repliceren en voortbouwen op bevindingen rond associaties tussen ouderlijke stress en het mentaal en fysiek functioneren van kinderen in de context van T1D. Ten tweede werd ouderlijke adaptieve cognitieve emotieregulatie (CER) onderzocht als mogelijke buffer tegen de negatieve invloed van ouderlijke stress.
Methode: Drieënveertig kinderen met T1D (8-15 jaar) en hun moeders  namen deel aan de studie. Vlak voor hun consultatie bij de kinderarts, rapporteerden alle kinderen over depressieve symptomen (CDI), trekangst (STAI-C) en functionele beperkingen (FDI). Hun moeders vervolledigden vragenlijsten over algemene distress (HADS), ziekte-gerelateerde stress (PIP) en cognitieve emotie regulatie (CERQ).
Resultaten: Ziektegerelateerde stress van de moeder, maar niet algemene distress, was geassocieerd met meer angst, depressieve symptomen en functionele beperkingen bij het kind. Tegen de verwachtingen in werd geen modererend effect teruggevonden van adaptieve CER van de moeders op de associaties tussen stress van de moeder en uitkomsten bij het kind.
Conclusie: De bevindingen wijzen op het belang van screening voor ziekte-gerelateerde stress bij ouders in de context van diabetes bij hun kind. Toekomstig onderzoek naar andere beschermende factoren die het negatieve effect van ouderlijke stress kunnen bufferen is noodzakelijk.

P05 Ontrafelen van gezichtsverwerking bij ASS met FPVS-EEG - PDF
Sofie Vettori, PhD-student, KU Leuven
Bijkomende auteurs:
Stephanie Van der Donck, Milena Dzhelyova, Jean Steyaert, Bruno Rossion, Bart Boets
Mensen met autismespectrumstoornissen (ASS) vertonen in het dagelijkse leven moeilijkheden met sociale communicatie. De kenmerkende problemen met gezichtsverwerking bij mensen met ASS zijn vaak moeilijk aantoonbaar via klassieke experimentele gedragstaken. Een nieuwe aanpak om deze moeilijkheden op individueel niveau te kwantificeren, is gewenst.
Binnen een innovatief onderzoeksprogramma exploreren we de mogelijkheden van ‘Fast periodic visual stimulation EEG’ (FPVS-EEG) als tool om de kwaliteit van impliciete gezichtsverwerking te objectiveren. Meer bepaald meten we de neurale sensitiviteit voor het detecteren van gezichten en het onderscheiden van gezichtsidentiteit en verschillende emotionele gelaatsuitdrukkingen. Doelstelling is om een sensitieve en betrouwbare biomarker voor socio-communicatieve sensitiviteit te ontwikkelen.
FPVS-EEG is gebaseerd op het principe dat een periodisch aangeboden stimulus een synchrone hersenrespons uitlokt aan exact dezelfde frequentie als de stimulatie. Wij tonen afbeeldingen van gezichten aan 6 Hz en onderzoeken de sensitiviteit voor subtiele socio-communicatieve cues door periodisch afbeeldingen toe te voegen die een verandering in identiteit en/of expressie vertonen (i.e. elke 5e afbeelding; 6Hz/5 = 1.2 Hz frequentie). De impliciete sensitiviteit voor deze socio-communicatieve cues wordt dan exact gekwantificeerd o.b.v. de neurale respons.
Voorlopige resultaten tonen aan dat de hersenen van 9-12 jarige jongens met ASS inderdaad minder gevoelig reageren op kleine verschillen in identiteit en expressie van gezichten, vergeleken met typisch ontwikkelende jongens. Verder onderzoek moet de robuustheid van deze resultaten aantonen.
De resultaten geven aan dat het zinvol is om deze techniek verder te ontwikkelen tot een klinische tool die ook bruikbaar is bij minder toegankelijke populaties, zoals baby’s of nonverbale mensen met ASS.
 
P06 Veerkracht tijdens postoperatief herstel bij jongeren - PDF
Melanie Beeckman, doctoraatsbursaal, Universiteit Gent
Bijkomende auteurs:
Sean Hughes & Liesbet Goubert, Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent
Een posterieure spinale fusie bij scoliose is één van de meest ingrijpende operaties bij jongeren. Deze ingreep gaat gepaard met matige tot hoge postoperatieve pijn. Eerdere studies toonden dat deze pijn soms aanwezig blijft tot jaren na de operatie met verminderde fysieke activiteit, slechtere schoolprestaties en depressie tot gevolg.
Uit de literatuur over chronische pijn leren we dat jongeren verschillen in de manier waarop ze omgaan met pijn en hoe dit hun dagelijks functioneren beïnvloedt. Hoofdrolspelers hierin zijn de vrees voor pijn en (overmatig) zorgen maken over pijn, wat aanzet geeft tot vermijdingsgedrag. Op lange termijn leidt dit tot een verminderd functioneren. Echter, het merendeel van de jongeren lijkt zich juist goed aan te passen aan de (chronische) pijn. De literatuur hieromtrent staat nog in zijn kinderschoenen, maar het onderzoek naar veerkracht in het omgaan met pijn groeit sterk. Belangrijke factoren die bijdragen tot veerkracht zijn o.a. optimisme, positief affect, psychologische flexibiliteit en ouderlijke invloed.
In een lopende studie onderzoeken we hoe en welke veerkrachtsfactoren voorspellend zijn voor een gunstiger herstelproces op vlak van pijn en functioneren. We doen dit via een longitudinaal prospectief design, waarbij we gedurende een jaar op vijf opeenvolgende meetmomenten de jongere en één ouder een dagboek laten bijhouden, een bewegingsmeter laten dragen en een vragenlijst laten invullen. De dataverzameling is momenteel lopende. We presenterenpreliminaire data van ongeveer 15 participanten op de eerste drie meetmomenten.

P07 Motorische vaardigheden en intellectuele, emotionele en gedragsmatige karakteristieken van mannelijke adolescenten met een disruptieve gedragsstoornis
Tine Van Damme, PhD, doctor-assistent, psychomotorisch therapeut, KU Leuven/Z.org UPC KU Leuven
Achtergrond: Motorische problemen komen vaak voor bij kinderen en jongeren met een psychiatrische aandoening. De prevalentie, ernst en impact van deze problemen bij adolescenten met een disruptieve gedragsstoornis blijkt echter onvoldoende onderzocht.
Het doel van deze studie was (1) exploratie van motorische, intellectuele, emotionele en gedragsmatige karakteristieken van adolescenten met een disruptieve gedragsstoornis; (2) onderzoeken van de relaties tussen deze domeinen; en (3) evalueren of adolescenten met een disruptieve gedragsstoornis en bijkomende motorische problemen onderscheiden kunnen worden van adolescenten zonder bijkomende motorische problemen.
Methode: Mannelijke adolescenten met een disruptieve gedragsstoornis (n = 120), 12-17 jaar, werden geëvalueerd met de Bruininks-Oseretsky Test of Motor Proficiency, Second edition (BOT-2); de Wechsler Intelligence Scales for Children (WISC-III-NL) of de Wechsler Adult Intelligent Scales (WAIS-III-NL); de Child Behavior Checklist (CBCL) en de Youth Self Report (YSR).
Resultaten: De doelgroep werd gekenmerkt door lagere motorische vaardigheden, lagere intellectuele vaardigheden en een hogere rapportage van emotionele en gedragssymptomen. Er werden zwakke tot matige correlaties gevonden tussen motorische vaardigheden en TIQ en PIQ. Er werden geen significante associaties gevonden tussen de BOT-2 scores en de CBCL/YSR scores. Met uitzondering van de internaliserende subschaal van de YSR, werden er geen verschillen gevonden tussen de adolescenten met of zonder bijkomende motorische problemen.
Conclusie: De resultaten van deze studie geven aan dat motorische problemen vaak voorkomen bij adolescenten met een disruptieve gedragsstoornis. Daarnaast suggereren de resultaten dat de aanwezigheid van motorische problemen geen impact heeft op emotionele en gedragsmatige factoren bij adolescenten met een disruptieve gedragsstoornis.

P08 Interventies binnen een chatgesprek die de verbinding tussen chatoproeper en beantwoorder faciliteren wanneer schaamte- en schuldgevoelens zich manifesteren - PDF
Ilse Van Campenhout, psycholoog, Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Brussel
Nupraatikerover.be is een chatbox die zich richt op minderjarige slachtoffers en getuigen van seksueel misbruik. In de chatgesprekken komen verschillende emoties aan bod waarbij schuld en schaamte zich het meest manifesteren. De ervaring leert dat uitspraken zoals “het was niet jouw schuld” een negatief effect hadden op de verbinding en het aangaan van een proces tussen de chatoproeper en beantwoorder. Dergelijke uitspraken impliceren een ontkenning van schuld- of schaamtegevoelens. Nicolai (1991) biedt een theoretisch kader over deze gevoelens bij seksueel misbruik. Op basis hiervan werd gezocht naar interventies om binnen het chatmedium met gevoelens van schaamte en schuld te werken en de verbinding met de oproeper te faciliteren. Dit leidde tot een kwalitatieve analyse van de chatgesprekken van 1 september 2014 t.e.m. 1 september 2016 waarin de gevoelens van schuld en schaamte centraal stonden. Uit het onderzoek blijkt het belang om erkenning te geven aan deze gevoelens, stil te staan bij de betekenis ervan voor de chatoproeper en het zoeken naar andere deelidentiteiten. Door de gevoelens er te laten zijn, worden ze genormaliseerd en voelen jongeren zich minder alleen. Jongeren zoeken specifiek het online medium op om over deze gevoelens te praten omwille van het anonieme karakter van de chat. Het helpt voor de jongeren om deze emoties een eerste keer online door te werken.
Referentie:
Nicolai, N.J. (1991). Incest als trauma: implicaties en consequenties voor de behandeling. Tijdschrift voor psychotherapie, 17 (1), 12-30
 
P09 Een klinische studie bij kinderen met leukemie: is er een verband tussen sociale steun en emoties bij gezonde siblings? - PDF
Marieke Van Schoors, master psychologie, assistent onderzoeksgroep R&G-studies, Universiteit Gent
Bijkomende auteurs:
prof. dr. Goubert Liesbet & prof. dr. Verhofstadt Lesley, Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie, Universiteit Gent
Introductie: Kinderkanker is een ingrijpende gebeurtenis en de behandeling ervan is lang en intensief.  Gezien deze vaak zware impact van de diagnose op alle gezinsleden en het gezin in zijn geheel, is het belangrijk dat er onderzoek wordt verricht naar mogelijke protectieve factoren, zoals bv. sociale steun.  Echter, bestaand onderzoek naar deze protectieve factoren richt zich nogal vaak op de kinderen met kanker zelf, terwijl de impact van de ziekte op siblings tot op heden minder is onderzocht. Om tegemoet te komen aan dit hiaat, wordt in deze studie het verband tussen sociale steun enerzijds en emoties bij siblings anderzijds nagegaan, en dit aan de hand van een cross-sectionele vragenlijststudie.
Methode: De deelnemers waren gezonde broers en zussen van Vlaamse kinderen tussen 1 en 18 jaar met de diagnose leukemie of non-hodgkin lymfoom. De rekrutering vond plaats op de kinderkankerafdeling in het Universitair Ziekenhuis van Gent, Antwerpen, Leuven en Brussel. Enkel aan kinderen ouder dan zeven jaar werd gevraagd de vragenlijsten in te vullen. Kinderen jonger dan twaalf werden tijdens het invullen van de vragenlijst steeds begeleid door een onderzoeksmedewerker.
Resultaten & discussie: De resultaten van deze studie, alsook de implicaties voor de praktijk, worden op het congres gepresenteerd.

P10 MOVA-studie: Implementatie en evaluatie van dubbelblinde placebogecontroleerde titratie van methylfenidaat in de klinische praktijk
Karen Vertessen, assistent kinder- en jeugdpsychiatrie, Phd-student, Vrije Universiteit Amsterdam
Bijkomende auteurs:
H. Van Ewijk & J. Oosterlaan
Medicatie is een veel gebruikte behandeling en methylfenidaat (MPH) is hierbij de eerste keuze. Om de dosering van MPH te bepalen wordt meestal stapsgewijze titratie gebruikt. Deze methode heeft een aantal beperkingen waardoor het soms moeilijk vast te stellen is of MPH (voldoende) werkzaam is bij een bepaald kind.
In verschillende internationale onderzoeken (o.a de MTA-studie) is placebogecontroleerde titratie (PCT) gebruikt om de effectiviteit van MPH te bepalen. PCT blijkt hieruit een waardevol alternatief voor stapsgewijze titratie.
Opzet: 140 kinderen worden in een gerandomiseerde gecontroleerde trial onderverdeeld in 2 groepen. De stapsgewijze titratiegroep ontvangt een behandeling met MPH zoals gebruikelijk.
In de PCT-groep krijgen kinderen achtereenvolgens 2-4 doseringen MPH en 1 dosering placebo.
Ouders en leerkrachten vullen via een webapplicatie wekelijks een vragenlijst in over symptomen en bijwerkingen. Een algoritme in de applicatie bepaalt of MPH effectief is en wat de optimale dosis is.
Beide groepen worden beoordeeld op baseline, na titratie en na 6 maanden. De uitkomstmaten zijn het aantal responders,
ADHD-symptomen, bijwerkingen en tevredenheid.
Doelstellingen: Dit onderzoek heeft als doel de voordelen van een in de klinische praktijk toepasbare methode voor PCT te evalueren.
Referentie: The MTA Cooperative Group (1999). A 14-month randomized clinical trial of treatment strategies for attention-deficit/hyperactivity disorder. The MTA Cooperative Group. Multimodal Treatment Study of Children with ADHD. Arch Gen Psychiatry 56(12): 1073-1086

P11 Creatief werken met emoties bij autisme?  Alles kan! - JPG
Stéphanie Michel, psychologe, OLV Ziekenhuis, Campus Aalst
Bijkomende auteurs:
het volledige team Kinder- & Jeugdpsychiatrie, OLV-ziekenhuis, Campus Aalst.
Moeilijkheden in de cognitieve verwerking van emoties – waaronder moeilijkheden in het identificeren en beschrijven van gevoelens – worden verondersteld een integraal deel te zijn van autisme. Individuen met een autismespectrumstoornis zijn hierdoor ook vaker depressief dan personen die hiertoe meer mogelijkheden hebben (Hill, 2004). Handvatten aanreiken aan personen met een autismespectrumstoornis, een taal vinden met hen om toch woorden te geven aan hun beleving zou dan een sleutel kunnen vormen. Het kan een weg zijn uit de depressie of zelfs preventief werken t.a.v. het ontwikkelen van angst- en stemmingsproblemen bij personen met neiging tot internaliserende coping, en gedragsproblemen bij personen met neiging tot externaliserende coping. In deze casus beschrijven we het verhaal van een 19-jarig meisje met een autismespectrumstoornis en depressieve klachten. Via haar interesse voor animé-figuren en horrorfilms wordt uiting gevonden voor lijdensdruk omtrent het anders-zijn, aanvaarden van het anders-zijn en hoe dit aanvaardbaar in te passen binnen de maatschappij. De animé-figuur komt in een nieuwe wereld terecht en zoekt net zoals zij haar weg. Horrorfilms jagen mensen angst aan, iets wat zij dagelijks bij zichzelf herkent in de onzekerheid in sociale contacten. Wat kan ik wél zeggen, wat niét – alles? Alles kan, maar hierin zoeken patiënt en therapeut een weg …
Referentie:
Hill, E., Berthoz, S. & Frith, U. (2004). Brief Report: Cognitive Processing of Own Emotions in Individuals with Autistic Spectrum Disorder and in Their Relatives. Journal of Autism and Developmental Disorders, Vol. 34 (2): 229-235
 
P12 Chronische stress bij opgroeiende muizen versterkt de toxiciteit van chemotherapie op de hersenen - PDF
Iris Elens, ASO kinder-en jeugdpsychiatrie, doctoraatsstudent, UPC KU Leuven
Kanker op kinderleeftijd kent een steeds betere overleving. Onderzoek richt zich daarom steeds meer op (voorspellers van) een mogelijk nefaste cognitieve uitkomst bij overlevers. Hierbij lag tot op heden de focus vooral op medische en demografische factoren zoals de dosis toegediende chemotherapeutica of leeftijd bij diagnose. Psychosociaal welzijn en contextuele factoren bleven onderbelicht. Wetenschappelijk onderzoek heeft echter aangetoond dat ook chronische stress tijdens de kinderjaren latere cognitieve vermogens negatief beïnvloeden.
Daarom werden bij muizen de effecten van chemotherapie en onvoorspelbare, milde stressoren onderzocht. De helft van de jonge dieren kreeg chemotherapie en de andere helft een fysiologische zoutoplossing toegediend. Vervolgens werd de helft van de dieren gedurende vijf weken blootgesteld aan onvoorspelbare, milde en eerder gevalideerde stressoren zoals omkering van het dag- en nachtritme, vreemde of vochtige bedding in de kooi, voedsel-of waterdeprivatie, koude. Tenslotte werden het gedrag van de vier groepen (controle, enkel stress (S), enkel chemotherapie (C), chemotherapie en stress (SC)) bestudeerd aan de hand van een brede testbatterij.
Wij observeerden een verhoogd exploratiegedrag bij de S- en SC- dieren vergeleken met de controlegroep en de C-groep. Tijdens de ‘Morris water maze’ – een experiment dat verschillende aspecten van de cognitieve vermogens test – bleek een negatieve invloed van zowel chemotherapie als stress en wij konden daarenboven een significant interactie-effect van chemotherapie en stress aantoonden.
Nooit eerder werd de interactie tussen stress en chemotherapie bestudeerd. In afwachting van studies bij kinderen levert dit project wetenschappelijke evidentie voor de opname van psychosociaal welzijn in een multidisciplinaire risico-inschatting. Zodoende kunnen kinderen die een hoger risico lopen op cognitieve sequelen na kanker vroegtijdig geïdentificeerd en geholpen worden.
 
P13 Empowerming van familiale context op school - PDF
Ilona Sauwen, sociaal pedagoog, medewerker training en hulpverlening, centrum ZitStil, Wilrijk
In de zorg voor een kind met leer-en ontwikkelingsstoornissen (LOS) zijn ouders het aanspreekpunt. Toch krijgen zij in de triade van de hulpverlening vaak minder aandacht.
Als centrum ZitStil versterken we deze ouders.
Ouders en leerkrachten ondersteunen samen het kind:
Ouders en leerkrachten hebben een cruciale invloed op de ontwikkeling van kinderen. Een goede samenwerking tussen beide beschermt het kind tegen latere maatschappelijke kwetsbaarheid.
Invulling project
1. Bevraging leerkrachten en ouders, van kinderen met en kinderen zonder LOS.
2. Ouders van kinderen met LOS en leerkrachten genereren samen ideeën om de samenwerking te verbeteren.
3. Ouders en leerkrachten werken actiepunten concreet uit.
4. School implementeert deze actiepunten.
Sterkte project:
Ouders en leerkrachten reageren zeer positief.  Zij voelen zich beide gehoord bij veranderingen. Veranderingen nemen effectief plaats. Niet door harder te werken, maar door energie in te zetten op de juiste plaats. Methode helpt om van individuele oplossingen naar een algemeen beleid te gaan.