Communicatie over het congres:
vckjpp@vvgg.be

Congressecretariaat:
De praktische organisatie van het congres gebeurt door de VVGG
Tenderstraat 14, 9000 Gent
tel. 09 221 44 34
fax 09 221 77 25
info@vvgg.be

Met Control + f kan u zoeken op de pagina

K01 Emotieregulatie en zelfverwonding - PDF

Laurence Claes, professor KU Leuven, Fac. Psychologie & Pedagogische Wetenschappen U Antwerpen, Fac. Geneeskunde & Gezondheidswetenschappen

In deze lezing schetst Agneta Fischer een functioneel perspectief op emoties, waarbij ze vooral de sociale functies van emoties zal uitlichten. Emoties zijn goed voor sociale relaties, maar ook om onszelf staande te houden in sociale relaties. Verschillende emoties (bv. boosheid, angst, verdriet) hebben verschillende sociale implicaties, omdat ze een verandering in sociale doelen betekenen. Boosheid heeft bijvoorbeeld andere effecten op een relatie met iemand dan schaamte of verdriet. De dominante emotie van een persoon zegt dus iets over de sociale relaties van een persoon.
In veel gevallen zijn emoties sociaal functioneel, maar soms kunnen grenzen worden overschreden waardoor een emotie dysfunctioneel wordt. Wanneer is dat? En, zijn er factoren die dit kunnen voorspellen? Ik ga in op verschillende vormen van emotieregulatie en de motieven die men heeft om emoties te reguleren. Hierbij is het van belang hoe anderen op emotie-uiting reageren. Deze sociaal-emotionele dynamiek kan tot een bevredigende sociale interactie leiden, maar kan ook uit de hand lopen en pathologische vormen aannemen.


U01 Verschillende wegen naar seksuele volwassenheid en de subjectieve beleving ervan tijdens de adolescentie. Een longitudinale studie bij Vlaamse jongeren
Wim Beyers, professor, Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie, Universiteit Gent
Seks is meer dan de daad. Er gaan diepe emoties mee gepaard. Vertrekkend vanuit een functionalistische visie op emoties, ga ik in op gevoelens en subjectieve aspecten van de psychoseksuele ontwikkeling van jongeren in Vlaanderen. Ontwikkelen van intieme relaties inclusief seksualiteit is immers een belangrijke ontwikkelingstaak voor jongeren. In 2012 werd gestart met een longitudinale studie, waarbij we een groep jongeren (12-18 jaar) met diverse achtergrond een aantal jaren volgden in hun seksuele ontwikkeling, tot ze 15-21 jaar waren. Diverse variabelen werden gemeten. Naast seksueel gedrag ook seksuele attitudes en motieven en andere psychologische aspecten van de seksuele ontwikkeling. Zoals verwacht vertoonden jongeren gemiddeld genomen een progressieve ontwikkeling van seksueel gedrag tussen 12 en 21 jaar. Echter, gedetailleerde analyses toonden aan dat vier groepen van jongeren konden onderscheiden worden, met verschillende trajecten van seksuele ontwikkeling, met verschillen in timing, tempo en duur van de ontwikkeling. Hoe deze verschillen in de ontwikkeling van seksueel gedrag bij jongeren gelinkt zijn aan hun gevoelens en de subjectieve beleving van deze ontwikkeling is de kern van deze presentatie. Al deze resultaten samen geven een goed beeld van de seksuele ontwikkeling van jongeren in Vlaanderen, met aandacht voor diversiteit en subjectiviteit.

U02 No Pain, No Gain? Diagnostiek en behandeling van zelfverwondend gedrag bij jongeren
Laurence Claes, klinisch psychologe en gedragstherapeute, hoogleraar Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen KU Leuven en de Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen Universiteit Antwerpen
Zelfverwondend gedrag (ZVG) verwijst naar het opzettelijk toebrengen van fysieke schade aan het eigen lichaam zonder de intentie om zich het leven te benemen. Voorbeelden van ZVG zijn zichzelf krassen, snijden, slaan, enz.. ZVG start in de adolescentie en komt frequent voor bij jongeren (18%). Verschillende intra- en interindividuele factoren spelen een rol in het ontstaan en voortbestaan van ZVG: identiteitsontwikkeling, emotie-en impulsregulatie, en relaties met familie en vrienden. Inzicht in deze factoren en de functies van ZVG zijn essentieel om het gedrag gericht aan te pakken. We staan stil bij interventies die de jongere, en zijn/haar gezins- en schoolcontext kunnen helpen om het ZVG los te laten en zelfzorg na te streven. No pain, more gain …!

U03 Vluchtelingen en geestelijke gezondheidszorg
Geertrui Serneels, directeur, SOLENTRA vzw - UZVUB
Vluchtelingen en geestelijke gezondheidszorg, het blijft een moeilijk verhaal. Er zijn obstakels zowel langs de kant van de vluchteling als langs de kant van de hulpverlener op de weg ernaar toe. Nochtans is de nood aan een adequaat antwoord groot : cijfers over getraumatiseerde vluchtelingen lopen uiteen, maar vluchtelingen kampen tien keer meer met posttraumatischstress-syndroom in vergelijking met de bevolking van dezelfde leeftijd van het gastland (Fazel, Wheeler & Danesh, 2005). Daarnaast is er ook sprake van majeure depressie, gegeneraliseerde angststoornis, een gebrekkig sociaal functioneren en allerlei lokale uitdrukkingsvormen van onwelbevinden (Miller & Rasmussen). Deze problemen niet behandelen brengt aanzienlijke maatschappelijke en economische kosten met zich mee, maar een door de vluchteling gedragen hulpvraag is vaak afwezig. Het is dan ook in ons aller belang om methodieken te ontwikkelen die de vluchteling bereikt én recht doet aan zijn leed. Dit leed is niet alleen intrapsychisch maar ook psychosociaal. Dit impliceert dat een brede visie op gezondheid wordt gehanteerd en cultuursensitief wordt gewerkt. De methodiek die Solentra hiertoe ontwikkelde – PACCT - vertrekt vanuit deze basisprincipes en is een toepassing van outreachend en aanklampend werken. Een brede visie op gezondheid en cultuursensitiviteit impliceert een bijkomende rol van de psycholoog: de zogenaamde neutraliteit moet plaats maken voor een mensenrechten- en sociaal rechtvaardigheidsperspectief en ageren voor inclusie.

U04 Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) bij kinderen en jongeren
Yanda Van Rood, klinisch psycholoog BIG / psychotherapeut BIG, staflid afdeling Psychiatrie, Leids Universitair Medisch Centrum
Carlijn de Roos, klinisch psycholoog BIG / psychotherapeut BIG, trainer EMDR Europe (voor kinderen en adolescenten) Centrum voor Trauma en Gezin van de Bascule, Amsterdam
SOLK komen veel voor bij kinderen en jongeren. Als de lichamelijke klachten chronisch en/of beperkend zijn, belemmeren deze de gezonde psychosociale en fysieke ontwikkeling. SOLK kunnen een reactie zijn op actuele stressvolle omstandigheden (bijv. gepest worden) of een uiting zijn van een verstoord herstelproces (bijv vermoeidheid na een Pfeiffer infectie). Het herstel wordt verhinderd door aanwezigheid van instandhoudende factoren. Uit onderzoek komen enkele specifieke instandhoudende factoren naar voren die van belang zijn bij deze leeftijdsgroep. Het gaat om klachtgerelateerde interactie met ouders (veel aandacht voor de klacht, catastroferen, beschermende ouders), verminderd gezinsfunctioneren (conflicten, weinig structuur) en onverwerkte herinneringen aan stressvolle gebeurtenissen. Behandeling in de klinische praktijk vindt in de meeste gevallen plaats op basis van een gepersonaliseerde verklaring voor het ontstaan en/of blijven bestaan van de klachten. De diagnostiek volgens het gevolgenmodel is een geprotocolleerde methode voor het opstellen van een dergelijke gepersonaliseerde verklaring en bestaat uit het vaststellen van de belangrijkste klacht instandhoudende factoren, het formeren van een vicieuze cirkel en het opstellen van een behandelplan dat er op is gericht deze cirkel te doorbreken.
In deze presentatie wordt de diagnostiek volgens het gevolgenmodel toegelicht en enkele voor kinderen en jongeren belangrijke instandhoudende mechanismen worden besproken waaronder de emotionele reactie van ouders op de klachten van hun kind.

U05 Emotiecommunicatie en sociaal welbevinden bij kinderen met gehoorverlies
Carolien Rieffe, professor, in Social and Emotional Development, Developmental Psychology, Leiden University / Dutch Foundation for Deaf and Hard of Hearing Child, Amsterdam / UCL, University of London
Emoties spelen een belangrijke rol in de dagelijkse sociale contacten, en hangen sterk samen met een geestelijke gezondheid. Emotie-uitingen geven bijvoorbeeld het signaal af of we iemand leuk vinden, met iemand zouden willen samenwerken, of ons juist ergeren aan een persoon. Kinderen leren deze ‘emotie-communicatie’ niet zomaar vanzelf. Om ‘emotionele intelligentie’ te ontwikkelen moeten kinderen leren welke emotie gepast is in welke situatie, bij wie, wanneer, en hoe heftig je deze kunt uiten. Dit vergt dat kinderen veel deelnemen aan het sociale verkeer, binnen het gezin of de familie, maar ook op het schoolplein en in andere speelsituaties met leeftijdsgenootjes. Voor kinderen met gehoorverlies is deze sociale deelname niet altijd vanzelfsprekend. In ons onderzoekslab (www.focusonemotions.nl) hebben wij in de eerste plaats onderzocht op welke gebieden van emotionele intelligentie kinderen met gehoorverlies goed of minder goed functioneren in vergelijking met hun goed horende leeftijdsgenootjes. Daarnaast hebben we gekeken hoe deze vaardigheden samenhangen met het sociaal functioneren in de groep. Deze uitkomsten worden in de lezing toegelicht en besproken.

U06 STA STERKER! Hoe jongeren helpen angstige of agressieve emoties te reguleren in sociale situaties
Sarah Bal, prof. dr., klinisch psycholoog - psychotherapeut, Kinder- en Jeugdpsychiatrie, UZ Gent
Inge Antrop, psychologe, Kinder- en Jeugdpsychiatrie, UZ Gent
De adolescentie is een periode van ingrijpende veranderingen op relationeel vlak. Jongeren ontwikkelen een groter sociaal netwerk en krijgen andere interesses in hun relaties of stellen er andere eisen aan. Hoewel adolescenten abstracter leren denken en formeler leren redeneren, en ze ook steeds beter het perspectief van anderen kunnen innemen, zijn hun gedachten en gevoelens in deze periode toch nog vaak exclusief op zichzelf gericht. Daardoor beschikken ze niet altijd over de meest geschikte en noodzakelijke sociale gedragsvaardigheden. Het lukt niet alle jongeren om zich zelf meester te maken van eenvoudige en complexe sociale vaardigheden. Jongeren met sociale angst vertonen vaak onder-assertieve communicatievormen. Ze gebruiken meer irrationele gedachten, onjuiste interpretaties en stellen veiligheidsgedrag om het risico op negatieve beoordelingen door anderen te minimaliseren. Adolescenten die eerder op een agressieve manier communiceren beschikken over minder vaardigheden om gedrag van anderen adequaat te interpreteren, koppelen er sneller vijandige intenties aan vast en zijn eerder gericht op onmiddellijke behoeftebevrediging. Zowel sociaal angstige, als eerder agressieve jongeren kampen met emoties, gedachten en gedrag die assertieve verbale oplossingen in de weg staan.
Bestaande sociale vaardigheidstrainingen focussen te weinig op de specifieke ontwikkelingstaken waar adolescenten voor staan.

K02 Zorgen is gezond? Zorgverleners met grenzen… over zelfzorg, teamzorg en organisatiezorg
Tine Daeseleire, klinisch psycholoog-gedragstherapeut, zaakvoerder The Human Link, Berchem
‘Zelfzorg’ voor hulpverleners die met kinderen en jongeren werken, is een belangrijk thema. In deze beroepsgroep bestaan er immers een aantal risico’s om stressvolle situaties in hun werk te ervaren.
Ze zitten in een job die verantwoordelijkheid vereist, waar het vaak een evenwicht zoeken is tussen kwaliteit leveren en kwantiteit behalen, betrokkenheid bij de cliënt, variabele uren, wat een effect kan hebben op de work-life balans. Veranderingen in de gezondheidszorg en de maatschappij in het algemeen nemen toe: de attitude van cliënten verandert, de werkomgeving stelt nieuwe uitdagingen en de hulpverlening kent een tendens tot meer administratie, vermaatschappelijking van de zorg… In hun praktijk worden hulpverleners geconfronteerd met ernstigere en complexere problemen, wat soms het stressniveau doet toenemen. Recent wetenschappelijk onderzoek toont aan dat +/- 4 % burn-out ervaart maar dat het merendeel (meer dan 60 %) van zorgverleners bevlogen blijft.
The Human Link is gespecialiseerd in preventie van burn-out bij hulpverleners. Specifiek zijn we enerzijds vertrouwd met de klinische praktijk en de specifieke risicofactoren voor personen die dit beroep uitoefenen. We geven regelmatig workshops aan psychologen, sociaal assistenten, huisartsen over zelfzorg, cursussen stressbeheersing en hebben ook zorgverleners in individuele begeleiding. Anderzijds proberen we zorgverleners ook preventief te beschermen door collegiale teams op te zetten die instaan voor opvang en nazorg na schokkende gebeurtenissen.


S01 Gehechtheidsprocessen in specifieke groepen

voorzitter: Guy Bosmans

S01.0 Inleiding
Guy Bosmans, professor, KU Leuven

De hulpverlening is zich al lang bewust van het belang van gehechtheid in de ontwikkeling van kinderen in zijn algemeenheid en de ontwikkeling van gedrags- en emotionele problemen in het bijzonder. Toch blijven er vele vragen over de specifieke processen die verklaren waarom onveilig gehechte kinderen meer risico lopen om een moeilijke ontwikkeling te doorlopen. Bovendien worden hulpverleners vaak geconfronteerd met vragen over gehechtheid die specifiek zijn voor de doelgroep waar ze mee aan het werken zijn.
In dit symposium wordt stilgestaan bij het idee dat de ontwikkeling van gehechtheid begrijpen vereist dat men gehechtheid ziet als het resultaat van een verwachtingsleren. Als kinderen frequent ervaren dat ouders zorg bieden tijdens stress, zullen ze een cognitief script ontwikkelen over zorg (secure base script). Kinderen met dat script zullen makkelijker kunnen vertrouwen in zorg van ouders en daardoor ook sneller hulp kunnen zoeken. Dit beschermt hen tegen de negatieve invloed van stress en maakt hen weerbaarder.


S01.1 De ‘Parent Newborn Attachment Relationship Questionnaire’ (PNAR), een nieuwe kijk op de initiële verwachtingen van ouders over de relatie met hun pasgeboren kind
Chiara Bernagie, doctoraatstudent, KU Leuven
Van bij het prille begin is een kind aangewezen op de zorg en beschikbaarheid van anderen. Bowlby introduceerde zijn gehechtheidstheorie in 1957. Zijn theoretisch denkkader, waarin gehechtheid wordt omschreven als een aangeboren overlevingsstrategie, in het bijzonder bij jonge, kwetsbare kinderen, werd eind jaren ’50 verder onderbouwd met de observaties van moeder-kind interacties in Oeganda door Mary Ainsworth (the Baltimore Longitudinal Study). Volgens de gehechtheidstheorie ontwikkelt een kind tijdens het eerste levensjaar bepaalde verwachtingen omtrent het al dan niet beschikbaar zijn van een primaire zorgfiguur. Wanneer ouder(s) onvoldoende sensitief en responsief zijn voor de signalen van hun baby, kan dit resulteren in een onveilige gehechtheid waarbij het evenwicht tussen gehechtheidsgedrag en exploratief gedrag verstoord geraakt en het aangaan van toekomstige relaties negatief beïnvloed wordt. Een veilige gehechtheid daarentegen wordt aanzien als een belangrijke bouwsteen voor een gezonde socio-emotionele ontwikkeling. In de huidige studie lag de focus op het in kaart brengen van één van de voornaamste gehechtheidsrelaties, namelijk deze tussen ouder en kind. We bespreken eerst de reeds bestaande, gevalideerde instrumenten met hun voor- maar ook nadelen, die het vertrekpunt vormden voor de ontwikkeling van een nieuwe gehechtheidsvragenlijst: de Parent Newborn Attachment Relationship Questionnaire (PNAR). Vervolgens spitsen we ons toe op de ontwikkeling van deze nieuwe vragenlijst, om tot slot een tipje van de sluier op te lichten rond toekomstig validatie-onderzoek binnen de specifieke doelgroep van prematuren.
Referentie: Sameroff & Emde (1989). Human existence is social existence (, p. 221).


S01.2 Gehechtheidsontwikkeling van Chinese adoptiekinderen in Nederland
Chloe Finet, doctoraatstudent, KU Leuven

Uit onderzoek blijkt dat interlandelijke adoptiekinderen een groter risico hebben op het ontwikkelen van onveilige gehechtheid. Kennis opdoen over welke factoren samenhangen met dit risico is belangrijk omdat het handvatten kan bieden voor het ontwikkelen van interventies. Eén mogelijke factor is het type pre-adoptie zorg, zoals verblijf in een kindertehuis of in een pleeggezin voor de adoptie. Hoewel vaak weinig geweten is over de kwaliteit van kindertehuizen en pleeggezinnen, kan verondersteld worden dat kinderen in een tehuis minder kansen hebben om een stabiele relatie op te bouwen met een consistente verzorger dan kinderen in een pleeggezin, wat het ontwikkelen van een veilige gehechtheidsrelatie na adoptie kan bemoeilijken. Deze hypothese werd onderzocht in een longitudinale adoptiestudie waaraan 92 Chinese adoptiekinderen - die op een gemiddelde leeftijd van 13 maanden naar Nederland geadopteerd zijn - hebben meegedaan. De resultaten van de eerste twee meetmomenten (twee en zes maand na adoptie) toonden dat de kinderen geadopteerd uit een tehuis, vaker onveilig gehecht en vaker gedesorganiseerd gehecht waren dan de vergelijkingsgroep van niet-geadopteerde kinderen. De kinderen geadopteerd uit een pleeggezin, waren ook vaker gedesorganiseerd gehecht, maar even vaak veilig gehecht als de vergelijkingsgroep. Onlangs hebben de kinderen (N = 87) meegedaan aan het derde meetmoment van het onderzoek (negen jaar na adoptie). Gehechtheid werd met twee vragenlijsten en een verteltaak gemeten. Op deze verschillende indicatoren van gehechtheid (vertrouwen in beschikbaarheid van moeder, gehechtheidsangst en gehechtheidsvermijding, en ‘secure base script’) werden geen significante verschillen gevonden tussen de kinderen die uit een tehuis of uit een pleeggezin geadopteerd werden. Deze resultaten suggereren dat, negen jaar na adoptie, de gehechtheidsrepresentaties van kinderen geadopteerd uit een kindertehuis niet verschilt van de gehechtheidsrepresentaties van kinderen geadopteerd uit een pleeggezin.


S01.3 Gehechtheid bij lagere schoolkinderen en de ontwikkeling van depressieve symtpomen in de adolescentie: de rol van cognitieve processen
Guy Bosmans, professor, KU Leuven
Lange tijd is de lagere school-periode beschouwd als minder relevant in de ontwikkeling van gehechtheid. Uit ons voortgaand onderzoek blijkt echter dat deze levensfase een belangrijke periode is voor de gehechtheidsontwikkeling. Kinderen ontwikkelen cognitieve scripts over zorg en deze scripts vertekenen de verwerking van gehechtheidsinformatie waardoor kinderen meer of minder makkelijk hulp kunnen zoeken tijdens stress. We vonden dan ook dat kinderen die makkelijker hulp kunnen zoeken tijdens stress ook effectief weerbaarder zijn. De vraag is echter wat de rol van de onderliggende informatieverwerkingsprocessen is. In een net afgeronde longitudinale studie hebben we bij 157 lagere schoolkinderen (gemiddeld elf jaar oud) gekeken hoe veilig gehecht ze waren (gemeten met interview, vragenlijst, en de secure base script test) en in welke mate ze een vernauwd aandachtsveld rond moeder hadden (een computertaak). Vervolgens gingen we één en twee jaar later na in welke mate kinderen depressieve symptomen vertoonden als ze geconfronteerd werden met stress. Uit de resultaten bleek dat het verband tussen veilige gehechtheid tijdens de lagere schoolleeftijd en depressieve symptomen in de adolescentie afhankelijk was van hoe sterk vernauwd hun aandachtsveld rond moeder was tijdens de lagere schoolperiode. Kinderen die toen veilig gehecht waren en een sterke focus op moeder hadden, waren beschermd tegen de negatieve effecten van stress op latere leeftijd. Kinderen die onveilig gehecht waren en sterk gefocust op moeder, waren dan weer kwetsbaar om depressieve symptomen te vertonen op latere leeftijd. De implicaties voor de klinische praktijk worden uitgebreid besproken.



S02 Resultaten van actueel pleegzorgonderzoek van het Centrum voor onderzoek naar psychologische en orthopedagogische hulpverlening aan kinderen en jongeren van de Vrije Universiteit Brussel
voozitter: Johan Vanderfaeillie

S02.0 Inleiding
Johan Vanderfaeillie, professor, Vrije Universiteit Brussel

In dit symposium worden de resultaten gepresenteerd van recent onderzoek naar de Vlaamse pleegzorg uitgevoerd door het Centrum voor Onderzoek naar Psychologische en Orthopedagogische Hulpverlening aan kinderen en jongeren van de VUB. Pleegzorg is een waardevolle interventie. Een pleeggezin biedt immers meer continuïteit in relaties dan bijvoorbeeld een residentiële voorziening en kan beter aan de basisbehoeften van kinderen en jongeren zoals persoonlijke aandacht, overzichtelijkheid en genegenheid voldoen. Pleegzorg is echter een kwetsbare interventie. Hiervan getuigen de vele breakdowns. In Vlaanderen is de kennis hierover beperkt. Een eerste onderzoek focust hierop en presenteert onderzoeksresultaten over het aantal breakdowns en de geassocieerde factoren. Als gevolg van de vluchtelingencrisis wordt pleegzorg ook ingezet voor de opvang van niet-begeleide minderjarigen. Vraag is echter of de Vlaamse pleeggezinnen aan de noden en behoeften van de kinderen kunnen voldoen. Met behulp van een literatuuronderzoek proberen we deze vraag te beantwoorden. Tot voor kort werd pleegzorg geconceptualiseerd als een interventie met als voornaamste doel een hereniging met het gezin van oorsprong. Onderzoek vond echter dat weinig Vlaamse pleegkinderen worden herenigd. Met behulp van een dossieranalyse werd onderzocht welke pleegkinderen een grotere kans hebben op een hereniging en welke niet. Tenslotte worden de eerste resultaten gepresenteerd naar de langetermijneffecten van jongeren die uit werden geplaatst. Er werd onderzocht hoe ze het doen als volwassene na de uithuisplaatsing.


S02.1 Omwille van negatieve redenen voortijdig beëindigde pleegzorgplaatsingen in Vlaanderen: prevalentie en geassocieerde factoren
Johan Vanderfaeillie, professor, Vrije Universiteit Brussel

Pleegzorg wordt in Vlaanderen naar voren geschoven als de eerste te overwegen optie bij een uithuisplaatsing. Pleegzorg is een waardevolle maar tevens een zeer kwetsbare interventie. Internationaal blijkt deze kwetsbaarheid uit het grote aantal breakdowns: voortijdige beëindigingen omwille van negatieve redenen. In Vlaanderen is hierover weinig geweten. Deze studie had als doel kennis te vergaren omtrent het aantal breakdowns en inzicht te verwerven over hun associatie met pleegkind- en pleegouderkenmerken en kenmerken van de pleegzorgplaatsing. Met behulp van een dossieranalyse werden 309 pleegzorgplaatsingen, opgestart in 2007 in twee Vlaamse provincies, geanalyseerd. Na zes jaar waren 208 plaatsingen beëindigd: 90 breakdowns en 118 positieve beëindigingen. Gedragsproblemen van het pleegkind, conflicten tussen pleegouders en ouders, en opvoedproblemen van de pleegouders waren de belangrijkste redenen voor een breakdown. Naarmate pleegkinderen bij de start van de pleegzorgplaatsing meer gedragsproblemen hebben, ze ouder zijn en ze gedurende de pleegzorgplaatsing geen individuele behandeling krijgen, neemt het risico op een breakdown toe. Deze factoren moeten in rekening worden gebracht bij de beslissing tot een pleegzorgplaatsing.


S02.2 Niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en pleegzorg: een literatuurstudie
Frank Van Holen, directeur hulpverleningsbeleid Pleegzorg Vlaams-Brabant en Brussel, Vilvoorde
In deze bijdrage beschrijven we de resultaten van een literatuurstudie van empirisch onderzoek naar de uitkomsten en/of ervaringen van niet-begeleide buitenlandse minderjarige vluchtelingen in pleegzorg. Het schaarse onderzoek (slechts 17 referenties werden weerhouden) suggereert dat pleegzorg een belangrijke opvangvorm is voor deze doelgroep en geassocieerd is met betere gezondheids- en psychosociale uitkomsten in vergelijking met andere opvangvormen. Niettemin vormt het voortijdig ongepland aflopen van pleegzorgplaatsingen een reden tot zorg. Vier groepen factoren die het verloop van pleegzorgplaatsingen beïnvloeden worden besproken, namelijk: pleeggezinkenmerken, verschillen in verwachtingen tussen pleeggezinnen en vluchtelingenjongeren, cultuurverschillen en contextuele factoren. Voorts wordt stilgestaan bij de implicaties voor de praktijk en worden suggesties gedaan voor verder onderzoek.


S02.3 Onderzoek naar kenmerken die de kans op een hereniging in perspectiefzoekende pleegzorg in Vlaanderen beïnvloeden
Laurence Belenger, onderzoeker, Pleegzorg Vlaams-Brabant en Brussel, Vilvoorde

Tot voor kort betrof pleegzorg in Vlaanderen een tijdelijke maatregel met als doelstelling hereniging met het gezin van herkomst. Desondanks worden slechts een beperkt aantal kinderen met hun ouders herenigd. In huidige onderzoek werden 125 perspectiefzoekende pleegzorgplaatsingen met als doel ‘werken aan een terugkeer naar huis’ of ‘uitklaren van het perspectief’ geanalyseerd. Door middel van een dossieranalyse werden ouder-, pleegkind-, pleegouderkenmerken en het pleegzorgproces op hun associatie met een hereniging onderzocht. Slechts 34 (27.2%) pleegkinderen werden positief herenigd met hun ouders. Variabelen die univariaat geassocieerd waren met een positieve hereniging waren de tewerkstelling van de ouders, afhankelijkheidsproblematiek van moeder, partnergeweld, kwaliteit van de huisvesting van moeder, pedagogische vaardigheden van de ouders, relatie moeder-kind, relatie moeder-pleegouders, gezinssamenstelling van de pleegouders, aantal biologische kinderen van de pleegouders, bezoekregeling, doel bij het begin van de plaatsing en verwaarlozing en/of mishandeling. Wanneer deze variabelen in één logistische regressiemodel worden gevoegd, is nog slechts de variabele pedagogische vaardigheden van de moeder statistisch significant (Exp(B) = 3.364, p = .005). Hieruit kan geconcludeerd worden dat pleegzorgbegeleiders voornamelijk oog hebben voor de pedagogische vaardigheden van de moeder bij de beslissing voor een terugplaatsing.


S02.4 Lange termijnuitkomsten van pleegzorg en residentiele zorg in Vlaanderen: een kwantitatief onderzoek
Laura Gypen, onderzoeker, Vrije Universiteit Brussel

Pleegzorg en residentiële zorg worden in Vlaanderen vaak ingezet voor kinderen en jongeren met individuele en contextuele moeilijkheden. Internationaal onderzoek geeft aan dat jongeren die gedurende hun kindertijd uit huis geplaatst zijn, het op lange termijn minder goed doen dan jongeren uit de algemene populatie. Ze zijn lager opgeleid, zijn langer en vaker werkloos, hebben een lager inkomen, leven in slechtere woonomstandigheden, hebben meer gezondheidsproblemen, hebben minder stabiele sociale relaties, hebben een groter risico op drug- en alcoholmisbruik en komen vaker in contact met justitie. Over de langetermijnuitkomsten van pleegzorg en residentiële zorg in Vlaanderen is weinig geweten.
In samenwerking met de Vlaamse pleegzorgdiensten en diverse residentiële voorzieningen uit de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen worden momenteel data verzameld van ongeveer 60 jongeren. Deze jongeren vullen een uitgebreide vragenlijst in waarin informatie verzameld wordt over volgende thema’s: onderwijs, tewerkstelling, inkomen, huisvesting, sociale relaties, gezondheid en criminaliteit. Daarnaast wordt de oorzaak van plaatsing, de hulpverleningsgeschiedenis en weerbaarheid van de jongere in kaart gebracht. De bevraging is voor een groot deel gebaseerd op eerdere bevragingen (o.a. Gezondheidsenquête, Huishoudensvragenlijst, SILC) waardoor een vergelijking met de Vlaamse bevolking mogelijk is. We stellen de eerste resultaten voor.


S03 Onderzoek ADHDynamisch rond emoties, motivatie en behandeling

voorzitter: Jurgen Lemiere

S03.0 Inleiding
Jurgen Lemiere, dr., KULeuven

In dit symposium worden verschillende aspecten van ADHD besproken. Ten eerste wordt een onderzoek besproken over de emotionele labiliteit bij kinderen en adolescenten en hoe dat geassocieerd is met ADHD-symptomen, hierbij wordt de emotionele labiliteit op verschillende manieren gemeten (door vragenlijsten/observaties). Ten tweede wordt een presentatie gegeven over de aard van de motivatie en het meten van de motivatie van kinderen met ADHD. Ten derde wordt een onderzoek besproken naar de Zelf Determinatie Theorie in het onderwijs en de mogelijk implicaties voor kinderen met ADHD. Ten laatste wordt een onderzoek besproken over de therapeutische band die er is tussen adolescenten en hun behandelaren en hoe die de uitkomst van behandeling beïnvloedt. De resultaten van alle onderzoeken worden vertaald naar klinische implicaties.


S03.1 Emotionele labiliteit bij kinderen en adolescenten: Het verband tussen zelf- en ouderrapportage van emotionele labiliteit, real-time metingen van emotionele ervaringen en expressies, en ADHD-symptomen
Dagmar Van Liefferinge, doctoraatstudent, KULeuven

Inleiding: Emotionele labiliteit (EL) is een belangrijk trans-diagnostisch concept bij kinderen en adolescenten en vormt een significante bron van belemmering in hun functioneren. In deze presentatie worden de resultaten van twee studies voorgesteld die de relatie tussen de rapportage (ouder en zelf-rapportage) van EL-symptomen via vragenlijsten, real-time metingen van emotionele ervaringen en expressies in het dagelijks leven en binnen een experimentele context, en ADHD- en ODD-symptomatologie onderzoeken.
Methode: In de eerste studie werd in een groep van 67 kinderen (55 algemene populatie + 12 klinische diagnose ADHD) de associatie tussen ouderrapportage van EL, kinderen hun emotionele expressies in een experimentele context, en ADHD- en ODD-symptomen onderzocht. In de tweede studie werd in een groep van 65 adolescenten (58 algemene populatie + 7 klinische diagnose ADHD) de associatie tussen zelf- en ouderrapportage van EL, hun emotionele ervaringen in het dagelijks leven, en ADHD-en ODD-symptomen onderzocht.
Resultaten: Studie 1: De ouderrapportage van EL-symptomen bleek significant samen te hangen met de intensiteit waarmee kinderen hun negatieve emoties uiten in een experimentele context en hing ook sterk samen met de aanwezigheid van ADHD- en ODD-symptomen bij deze kinderen. Studie 2: Zowel de ouder- als zelfrapportage van EL hing significant samen met de frequentie van negatieve emotionele ervaringen en fluctuaties in emotionele ervaringen van adolescenten in het dagelijks leven en hing tevens ook sterk samen met de aanwezigheid van ADHD- en ODD-symptomen bij de adolescent.


S03.2 Het meten van motivatie bij ADHD: motivationele oriëntatieschaal
Sarah Morsink, doctoraatstudent, KULeuven
Zowel in het dagelijkse leven, als in de therapie is het van uiterst belang om individuen te motiveren. Dit is erg relevant in de context van ADHD, vermits personen met ADHD naast executieve disfuncties, ook motivationele problemen ervaren. Ze worden op een andere manier gemotiveerd dan hun typisch ontwikkelende leeftijdsgenoten, waarbij ze gevoeliger zouden zijn voor specifieke beloningen. In vorig onderzoek werd er een verzameling van verschillende soorten beloningen, of motivationele factoren, in kaart gebracht door aan jongeren (9-16 jaar) met en zonder ADHD zélf te vragen wat hen motiveert. Deze factoren kunnen extrinsieke beloningen zijn zoals geld of complimenten, maar ook bijvoorbeeld het samenzijn met belangrijke anderen, competentie ervaren, lichamelijke stimulatie opzoeken, of volledig opgaan in de activiteit, ... Voorts kunnen we veronderstellen dat elk individu een ander motivationeel profiel, of oriëntatie heeft ten opzichte van deze verschillende motivationele factoren. En dat dit verschilt bij personen met een psychiatrische diagnose zoals ADHD. Daarom stellen we graag de Motivationele Oriëntatie Schaal voor. Dit zelf-rapportage instrument is ontwikkeld om de individuele motviationele oriëntatie van een persoon ten opzichte van verschillende soorten motivationele factoren na te gaan. Deze vragenlijst heeft een belangrijk nut in de praktijk waar het noodzakelijk is om motivationele factoren te identificeren die een individu kunnen motiveren doorheen de interventie of therapie.


S03.3 Keuze als heilmiddel voor de intrinsieke motivatie van kinderen en jongeren? Implicaties voor de klinische/onderwijs praktijk en kinderen met ADHD
Matson Driesen, doctoraatstudent, KULeuven
Keuze is een begrip dat bijna synoniem geworden is voor onze hedendaagse maatschappij. Elke dag maken mensen een hele reeks keuzes, de ene al belangrijker dan de andere. Ook binnen de klas moeten jonge kinderen steeds meer keuzes maken. Ondersteuning voor deze onderwijspraktijk kan gevonden worden binnen de zelfdeterminatietheorie. Keuzevrijheid komt volgens deze theorie namelijk tegemoet aan de fundamentele menselijke behoefte aan autonomie. Echter, onderzoek naar de effecten van keuze op de intrinsieke motivatie van jonge kinderen is schaars. In deze presentatie worden de resultaten van een experimentele studie besproken naar de effecten van keuzevrijheid op de intrinsieke motivatie van jonge kinderen. 283 basisschoolkinderen, verspreid over 14 klassen van het tweede leerjaar, namen deel aan het onderzoek. Zij werden willekeurig toegewezen aan een keuze of een niet-keuze conditie. In beide condities werden dezelfde opdrachten aangeboden. Intrinsieke motivatie werd gemeten a.d.h.v. een zelfrapportagevragenlijst.
De resultaten waren opmerkelijk. Kinderen uit de keuzeconditie hadden een significant lagere intrinsieke motivatie dan kinderen uit de niet-keuzeconditie. Een gelijkaardige tendens werd teruggevonden voor de prestaties, echter niet significant. Er worden tijdens de presentatie enkele mogelijke verklaringen aangereikt om dit verschil te verklaren. Tot slot worden enkele implicaties van deze resultaten en deze theorieën voor het onderwijs en de klinische praktijk besproken, met een bijzondere focus op de implicaties voor een ADHD-populatie.

S03.4 Therapeutische alliantie bij adolescenten met ADHD
Saskia Van der Oord, professor, KULeuven
Introductie. De therapeutische alliantie is de band tussen cliënt en therapeut en hun overeenstemming over behandeldoelen. Deze bepaalt vaak een significant deel van het behandeleffect. Echter, bij adolescenten met ADHD is weinig onderzoek gedaan naar therapeutische alliantie. Dit onderzoek vergelijkt de therapeutische alliantie van twee cognitief-gedragstherapeutische behandelingen: een gestructureerde planningsgerichte behandeling (Zelf Plannen: ZP) en een minder gestructureerde oplossingsgerichte behandeling (Zelf Oplossingen Bedenken: ZOB). We verwachtten dat bij een minder gestructureerde behandeling de therapeutische alliantie beter zou zijn (meer ruimte voor alliantie) en meer effect zou hebben op het behandelresultaat. Methode Negenenzestig adolescenten met ADHD (12-16 jaar) werden random toegewezen aan ZP of ZOB. De behandeluitkomstmaten bestonden uit voor- en nametingen van ADHD-symptomen en planningsvaardigheden. Opnames van behandelsessies werden gescoord op alliantie met het Therapy Process Observational Coding System – Alliance scale (McLeod & Weisz, 2005).
Resultaten.  Beide behandelingen hadden hetzelfde effect, er was geen verschil in behandelvooruitgang. Therapeutische alliantie verschilde wel significant: bij de meer gestructureerde PML was deze hoger dan bij de minder gestructureerde ZOB. Voor PML was alliantie niet gerelateerd aan behandeleffect, maar bij ZOB wel: hoe hoger de alliantie des te beter de uitkomst.
Conclusie. Mogelijk creëert een meer gestructureerde behandeling een natuurlijke alliantie, terwijl bij ongestructureerde behandelingen meer van de therapeut nodig is voor deze alliantie. Bovendien is deze bij ongestructureerde behandelingen ook belangrijker voor behandeluitkomst. Mogelijk is deze rol van structuur belangrijker voor de alliantie bij adolescenten met ADHD, omdat zij zelf meer problemen hebben om structuur aan te brengen.


S04 Agressie in de forensische residentiële jeugdzorg: het belang van een positief en open leefklimaat
voorzitter: Bie Tremmery

S04.0 Inleiding
Bie Tremmery, MD, PhD, kinderpsychiater UPC KU Leuven - Z.org, Kortenberg

In de forensische residentiële jeugdzorg komt agressie in de leefgroepen frequent voor. Kwetsbare jongeren met vaak een complexe psychiatrische problematiek worden dagelijks blootgesteld aan agressie, als getuige of als slachtoffer. Echter, een veilige omgeving is een belangrijke voorwaarde voor het creëren van een therapeutisch milieu en is noodzakelijk voor het verstrekken van kwaliteitsvolle zorg. Onderzoek toonde reeds aan dat het pedagogisch leefklimaat in een leefgroep een belangrijke invloed kan hebben op zowel het prosociaal als het antisociaal gedrag van jongeren. In dit symposium wordt de link gelegd tussen institutionele agressie en het leefklimaat in de forensische residentiële jeugdzorg in België. Ook zal het belang van het leefklimaat in de residentiële jeugdzorg toegelicht worden en worden er handvaten aangeboden voor het bekomen van een positief leefklimaat in de praktijk. Ten slotte wordt ook de samenhang tussen agressie en CU-traits met het leefklimaat in de Duitse jeugddetentie besproken.


S04.1 Werken met agressie op een forensische jongerenafdeling - PDF
An de Decker, PhD, psycholoog UPC KU Leuven - Z.org, Kortenberg

Agressie maakt deel uit van de dagelijkse realiteit op een forensische psychiatrische behandelunit voor jongeren en heeft een grote impact op de jongere zelf, de groepsgenoten en de teamleden (Tremmery, 2014). Een effectieve aanpak en de preventie van agressie is daarom een cruciaal onderdeel van de behandeling op forensische units. Op de afdeling Fordulas wordt agressie reeds van bij de start in 2010 zeer nauwkeurig geregistreerd en opgevolgd. De verwerking van deze agressiecijfers biedt niet enkel een descriptief beeld van de prevalentie van agressie-incidenten, maar genereert ook mogelijkheden om het agressiebeleid bij te sturen en de effectiviteit van de behandeling te vergroten. In de presentatie worden, op basis van verschillen in de agressieprofielen doorheen de opname, suggesties geformuleerd naar differentiatie in aanpak en behandeling.
Referentie:
- Tremmery, S., Danckaerts, M., Bruckers, L., Molenberghs, G., De Hert, M., Wampers, M., de Decker, A. (2014). Registration of aggressive incidents in an adolescent forensic psychiatric unit and implications for further practice. European Child & Adolescent Psychiatry, 23(9), 823–833


S04.2 Aandacht voor het leefklimaat in residentiële jeugdhulp: bevindingen en reflecties op basis van een pilootproject - PDF
Delphine Levrouw, doctoraatsstudent, UGent
Onderzoek toont het belang aan van een positief leefklimaat in een residentiële hulpverleningssetting (bv. iTriesschman, Kok, Ter Horst en meer recent van der Helm). Vanuit verschillende maatschappelijke evoluties staat de aandacht voor dat leefklimaat onder druk: 1) een residentiële opname wordt overwegend gezien als ‘last resort’ i.p.v. een potentieel zinvol gebeuren 2) de ontwikkeling naar “managerialisme” promoot een sterk voorgestructureerde in plaats van geëngageerde pedagogie en 3) de groeiende nadruk op evidence-based handelen in de leefgroep kan op gespannen voet staan met meer dialogische benaderingen.
De aandacht voor het leefklimaat is belangrijk en dit vanuit verschillende invalshoeken. Zo stelt van der Helm dat het inzetten op een positief leefklimaat sociaal-emotionele problemen bij kinderen en jongeren kan voorkomen. Andere insteken zijn onder meer de aandacht voor de rechten van het kind en de zoektocht naar meer emancipatorische omgangsvormen met kinderen.
In deze bijdrage gaan we in op de bevindingen van een praktijkgericht onderzoeksproject van de Vereniging Ons Tehuis, een voorziening in de jeugdzorg, waar een experiment werd opgezet om te werken aan een positief leefklimaat.


S04.3 De samenhang tussen agressie en hoe de jongeren het leefklimaat ervaren op een forensische jongerenafdeling
Lisa Lemmens, Msc, Doctoraatsstudent KULeuven, Kortenberg

De prevalentie van agressie is hoog op forensische jongerenafdelingen. In de recente literatuur wordt het ontstaan van agressie omschreven aan de hand van complexe interacties tussen zowel biologische en psychologische patiëntenkenmerken als sociale contextuele kenmerken. In voorgaand onderzoek naar agressie op forensische jongerenafdelingen werd er echter voornamelijk gefocust op de negatieve impact van agressie op het personeel en op de voorspellende waarde van bepaalde patiënten karakteristieken voor agressie op de afdeling. Onderzoek naar de samenhang tussen sociale contextuele factoren en agressie is schaars.
In dit onderzoek hebben we over een periode van drie jaar op een forensische afdeling maandelijks gemeten hoe de jongeren het leefklimaat percipieerden. Ook werden de agressie-incidenten die plaatsvonden op de afdeling continu geregistreerd. Op basis van deze longitudinale data werd de invloed van agressie op hoe de jongeren het leefklimaat ervaren en de invloed van dit leefklimaat op de agressie-incidenten onderzocht.


S04.4 Agressie, CU-traits en de rol van het leefklimaat in de jeugddetentie
Evelyn Heynen, PhD, onderzoeker en lector Maastricht University / Leiden University of Applied Sciences

Agressie en CU-traits zijn een veel voorkomend gedragsprobleem in de jeugddetentie. Ook al zien we dalende cijfers van agressie en geweld bij jongeren, stijgt de heftigheid van de gevallen, ook binnen de residentiele zorg. In de huidige studie hebben we in een sample van 156 jonge gedetineerde mannen in een Duitse jeugddetentie onderzocht naar de samenhang tussen de beide gedragsmatige variabelen agressie en CU-traits, en het orthopedagogisch klimaat op de groep waar de jongeren verblijven.
Resultaten van het huidige onderzoek laten zien dat een gesloten en negatief leefklimaat correleert met reactieve agressie en CU-traits. Echter heeft voorafgaand onderzoek in de Nederlandse detentie geen relatie tussen een negatief leefklimaat en agressie getoond. Naast de discussie van de resultaten van het huidige onderzoek wordt ook nader ingegaan op de rol van het detentiesysteem en de samenhang met de getoonde agressie van de jongeren in beide studies. Er zal een vergelijking worden gemaakt tussen het Nederlandse en het Duitse detentiesysteem.


S05 De ggz-netwerken voor kinderen en jongeren: ALL-IN
voorzitter: Marina Danckaers, UPC KULeuven

S05.0 De netwerken: Wat zijn ze? Wat doen ze?
Sara Keymolen & Annelies Kog
, PANGG 0-18, Antwerpen
Kathleen Coppens, BRU-STARS, Brussel

De hervormingen van de ggz voor kinderen en jongeren, via de vorming van provinciale netwerken, hebben in een razende vaart plaatsgevonden. Twee jaar na de publicatie van De Gids beschikt iedere Belgische provincie en Brussel over een netwerk geestelijke gezondheid kinderen en jongeren en al vijf programma’s: crisiszorg, langdurige en aanklampende zorg, intersectoraal consult en liaison, zorg voor jongeren met een dubbeldiagnose en een zorgpad ADHD. “Werken met voortschrijdend inzicht” werd de leuze van de netwerkcoördinatoren en alle partners en medewerkers in deze vernieuwingsgolf. Een frisse wind waaide door het hulpverleningslandschap en verbond gemotiveerde pioniers over de sectoren heen. Tijd om een eerste keer terug te blikken naar het tot nog toe geëffende pad: tot waar heeft het ons geleid?
We bekijken de netwerkstructuren die zich in de Vlaamse provincies en Brussel hebben gevormd. We bieden een overzicht van hun opdrachten, hun hefbomen en middelen. We lanceren enkele prangende open vragen die in de loop van het symposium mogelijks leiden tot … inderdaad: voortschrijdend inzicht!

S05.1 Het Crisis-programma: Meer Mobiel. Meer maatwerk - PDF
Cedric Kemseke, WINGG West Vlaanderen

Elke provincie werd uitgedaagd om een programma voor crisiszorg te realiseren met op de voorgrond een flexibel mobiel aanbod. Samenwerking met de crisisnetwerken integrale jeugdhulp en het crisismeldpunt werd nagestreefd.We brengen de verschillende modellen (centraal en decentraal mobiel aanbod) in kaart. We proberen eerste cijfers aan te leveren van de gemiddelde casusload die zij dragen. We tonen de impact op het aantal crisisaanmeldingen en de samenwerking met de crisisopvang in de K-diensten en begeleiding in de cgg’s en andere organisaties. We beschrijven de eerste ervaringen met flexbudgetten voor zorg op maat. We leveren getuigenissen aan van succesvolle interventies en kijken kritisch naar de valkuilen. Is triage mogelijk? Wie voert de regie over de triage? Is triage mogelijk vanuit het perspectief van de hulpvrager?

S05.2 Het Care-programma: Meer aanklampend. Meer continu. Meer voor minder?
Veerle Umans, LIGANT, Limburg
Complexe hulpvragen dagen uit tot doorgedreven intersectorale samenwerking en maximale mobilisatie van de natuurlijke krachten in (de context van) de jongere. Elk netwerk zocht wegen om te experimenteren met de wraparound methodiek, casemanagement, netwerktafels, enz. om jongeren en hun gezin emancipatorisch te engageren in een duurzamer traject op langere termijn, met gelijktijdige inzet van intersectorale expertise.
Ook hier reiken we eerste cijfers aan en getuigenissen van nieuwe zorgpraktijken die een verschil lijken te maken voor deze complexe doelgroep. Ook hier laten neveneffecten zich voelen. We kijken naar gelukte en spaaklopende trajecten en naar de impact van de intensiteit van de hulpverlening op de kwantiteit van de caseload.

S05.3 Specifieke doelgroepen: ADHD en dubbeldiagnose (COMBI): Waarom zij?
Toon Langeraert & Tine Notredame, RADAR, Oost-Vlaanderen
Voor jongeren met ADHD en jongeren met een combinatie van een verstandelijke beperking en ernstige psychische of psychiatrische problemen werd een aparte opdracht uitgeschreven. We reconstrueren de rationale van deze verbijzondering en de specifieke doelstellingen. We schetsen hoe de netwerken de zorgpaden voor deze doelgroepen hebben uitgewerkt.

S05.4 Het Crosslink-programma: Kennis is kracht
Dries Vanderputte, LIGANT, Limburg
Dagmar Van Liefferinge, YUNECO, Vlaams-Brabant

Uitwisseling en uitdragen van kennis en kunde staan centraal in dit programma. Zoveel mogelijk “helpende” kennis en ondersteuning moeten terechtkomen daar waar ze bruikbaar kunnen ingezet worden, bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de leefsituatie van de jongere. We geven inzage in de brede waaier van kennisdelingsmethodieken die in de verschillende provincies zullen ingezet worden. Zo wordt er onder meer veel hoop gesteld op wisselleren, kenniskringen en provinciale expertfuncties. Ook in dit programma werden specifieke doelgroepen door de overheid vooropgesteld: jongeren met een justitieel statuut, met middelenmisbruik en verslaving, kinderen tussen 0-6 jaar, kinderen van ouders met psychiatrische of verslavingsproblemen en vluchtelingen. Elektronische tools zullen maximaal ingezet worden.


S05.5 Uitleiding: Net werk(t)!
Marina Danckaerts, YUNECO, Vlaams-Brabant

De enthousiasmerende voorbeelden en creatieve ideeën die op korte tijd in de netwerken ontwikkeld werden getuigen van de kracht van samenwerking en de positieve impuls die de sturende overheden teweegbrachten.  Tegelijk hebben de hervormingen veel nieuwe (intensieve) hulpvragen aangeboord en blijft de discrepantie tussen vraag en aanbod groot. Bijkomende opdrachten voor urgentiezorg en preventie en vroegdetectie worden nog ingewacht. De roep van de ggz-sector voor méér ambulante capaciteit kreeg vooralsnog geen gehoor. Een “expliciete verbintenis aangaan om ten allen tijde zorg-op-maat aan te bieden en de zorgcontinuïteit voor zorgvragers en hun context te garanderen” lijkt ons dus vooralsnog een onfaire vraag, maar wèl een verder streven dat we samen met de bevoegde overheden willen uitbouwen.
Bij het samenwerken in deze netwerken worden we niet enkel uitgedaagd door klinisch complexe situaties, maar botsen we ook op limieten van  het bestaande regelgevend en wetgevende kader met betrekking tot arbeid en aansprakelijkheid.

Vraagstelling en discussie
Ann Van der Speeten, YUNECO, Vlaams-Brabant


S06 Reguleren van hoogoplopende emoties bij conflictueus ouderschap na scheiding
voorzitter: Lieve Cottyn
S06.0 Inleiding
Lieve Cottyn, psycholoog, psychotherapeut, staflid, Interactie-Academie, Antwerpen
Veel zorgverleners worstelen met de problematiek van (hoog) conflict tussen ouders na scheiding. Het systeemdenken als kader is bij uitstek geschikt om die complexe relationele dynamiek tussen ouders, kinderen en omgeving te kunnen vatten. Dit conflict is niet lineair causaal toe te schrijven aan een individu maar hangt samen met circulaire processen waartoe velen bijdragen.  De strijdpatronen zijn het probleem, ze creëren een toxisch systeem met duivelse spiralen en vicieuze cirkels die steeds meer van hetzelfde geven. Onderzoek wijst uit dat niet de scheiding maar wel  chronische conflicten nadien een destructieve impact hebben op zowel kinderen als ouders. Zonder zicht op de dwingendheid van die circulaire processen is het gevaar groot dat deskundigen meegezogen worden en op die manier het conflict ongewild aanwakkeren. Er is nood aan een constructief perspectief op deze conflictspiralen om zorgvuldig professioneel tussen te komen in dergelijke vaak zeer emotionele situaties. In 3 bijdragen wordt getoond wat een goede praktijk kan zijn. Verandering gebeurt door via taal (verbaal en non-verbaal) een nieuw en meer leefbaar uitzicht op te roepen naast de  strijdrealiteit. Emoties worden als relationeel gekaderd, als effecten van tussenmenselijke communicatie. De bijdragen handelen over de-escalatie van emoties zowel  bij de zorgverlener, als  bij de ouder en in het sociaal netwerk rond de ouder.


S06.1 De worsteling voor een constructieve houding in een destructief veld - PDF
Lieve Cottyn, psycholoog, staflid, psychotherapeut Interactie-Academie, Antwerpen

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de werkrelatie  een van de meest cruciale factoren is voor effectieve hulp (Duncan, Miller & Wampold, 2010; Blow&Sprenkle, 2007).  Bij conflict na scheiding staat deze werkrelatie onder druk door de zuigkracht van strijdspiralen die leiden tot partijdigheid, polarisering, blindheid  voor eigen aandeel en uitbesteding. Conflictcontexten roepen felle emotie op ten koste van reflectie. Om in te breken in conflictpatronen dient de deskundige  zich duidelijk te positioneren ten opzichte van het conflict en te letten op de innerlijke dialoog (Rober, 1999, 2002). Kunnen we het conflict constructief begrijpen? We vormen immers de werkelijkheid door onze verhalen over mensen en gebeurtenissen. Ieder persoon gedraagt zich volgens de wijze waarop hij/zij situaties  en  feiten definieert. Gedachten, gevoelens en gedrag beïnvloeden onze rasters van betekenisverlening die dan weer ons denken, voelen en handelen bepalen. Ik bepleit de noodzaak van een reflecterende  houding die zowel transparant, directief als nieuwsgierig is. Verandering gebeurt hier door een  attitude die zowel erkennend is als confronterend. Een attitude die veerkracht oproept en ‘response-ability’, zowel bij ouders, als kinderen en omgeving. Door als deskundige het eigen emotieniveau te reguleren, kan de-escalerend gewerkt worden.

S06.2 Ouderlijke emoties begrenzen door het versterken van de ouderidentiteit
Ilse Janssen, psycholoog, PhD, psychotherapeut Alpeh, Interactie-Academie, Bocholt

Bij aanhoudend conflict waarbij ouders elkaar wederzijds beschuldigen, vormt de afgenomen ouderrol het grootste probleem. Machteloosheid, vijandigheid en woede, wantrouwen en angst  ondermijnen het ouderschap. De focus op de andere ouder, de expartner, zorgt voor vervreemding in de  relatie tussen ouder en kind. Het kind krijgt een afwezige, boze, bittere of uitgeputte ouder te zien. Een constructieve ingang is hier om de ontreddering bij ouders te kaderen als blokkades bij  gezinsovergangsfasen. De transitie van kerngezin naar eenoudergezin (eventueel  nieuw samengesteld gezin) zet de ouderidentiteit onder druk. Bij gezinstransities moeten rollen, omgangsvormen en grenzen opnieuw onderhandeld worden. Het gaat over zowel grensonderhandelingen binnen het gezin als tussen gezin en buitenwereld. De ouderidentiteit wordt versterkt door de focus radicaal te richten op de ouder-kind relatie. Emotioneel ligt het nemen van een ouderfocus vaak moeilijker  omdat we graag  kinderen willen begrijpen. Bij risicofactoren in het ouderschap is het echter noodzakelijk om eerst bufferprocessen (Van der Pas, 2013) bij de ouder te installeren opdat de ouder  verbonden wordt  met het kind en het kind zich terug gezien voelt door de ouder.


S06.3 Netwerkversterking als antigif voor de strijd
Willem Beckers, maatschappelijk werker, psychotherapeut, staflid, Interactie-Academie, Antwerpen
Onderzoek (Hetherington, 2003; Visser, 2016) toont aan dat de sociale context van gescheiden ouders een aanzienlijke invloed heeft op de mogelijkheden die ze ervaren om strijdpatronen te  doorbreken en wederzijdse demonisering  te temperen. Het verkennen van en werken met de vele stemmen in het netwerk van gescheiden ouders doorprikt  de visie en gedachte van  ‘de onwelwillende ouder’ en situeert  conflicten en het reguleren van emoties in een breed veld van complexe beïnvloedingen en vele betekenissen. Geïnspireerd door de systeemtheorie, de ouderschapstheorie (A. Van der Pas) en de Non-Violent Resistance-benadering (H. Omer)  beschrijf ik enkele onrechtstreekse en rechtstreekse mogelijkheden om de wisselwerking met het sociale netwerk te activeren bij de ouder en om dit netwerk effectief in te zetten in de richting van een de-escalerende gemeenschap die het ouderschap constructief helpt dragen.


S07 Bewegen en bewogen worden. Over het lichaam in beweging en de psychomotorische interventies bij kinderen en adolescenten - PDF

voorzitter: Philippe Minguet
S07.0 Inleiding
Philippe Minguet, MSc, vrijwillig wetenschappelijk medewerker, Z.org UPC KU Leuven, Departement Revalidatiewetenschappen, Onderzoeksgroep Aangepaste Bewegingsactiviteiten en Psychomotorische Revalidatie, Kortenberg
Bewegen is an sich emotie. Binnen dit symposium gaan we op zoek naar een antwoord op de vraag of kinderen en adolescenten met psychische kwetsbaarheden evenveel mogelijkheden hebben tot bewegen als hun leeftijdsgenoten.
In een eerste bijdrage, van D. Bruyninckx, wordt er ingezoomd op de mogelijke barrières tot sportparticipatie bij jongeren met een psychische kwetsbaarheid. Een uniek samenwerkingsverband tussen de geestelijke gezondheidszorg en de sportwereld, namelijk ‘Geestig Gezond Sporten’, wordt voorgesteld. In een tweede bijdrage wordt de focus gelegd op de motorische vaardigheden van adolescenten met een psychiatrische stoornis. Dr. T. Van Damme presenteert de samenvattende resultaten van haar doctoraal proefschrift.  In een derde bijdrage richt P. Minguet zich tot pijndimensies (lichamelijk, cognitief, emotioneel en gedragsmatige componenten) en de mogelijke aangrijpingspunten voor psychomotorische behandeling. In een laatste bijdrage, lichten M. Vermeulen en dr. T. Van Damme de eerste resultaten toe van een pilootstudie naar de impact van een bewegingsproject (‘One Mile a Day’) op lichamelijke en geestelijke gezondheidsindicatoren bij kinderen.

S07.1 Geestig gezond sporten! Wat als sporten niet meer leuk is?
David Bruyninckx, MSc, psychomotorische therapeut / projectverantwoordelijke Geestig Gezond Sporten Z. Org UPC KU Leuven / CGG PassAnt, Kortenberg
Sport is emotie! Sporten is ontspannen, plezier maken, sporten is winnen en verliezen maar meer nog is sport meeleven en beleven. Tijdens het sporten lopen de emoties wel eens hoog op maar sporten is voor jongeren nog zoveel meer. Het is een manier om aansluiting te vinden bij leeftijdsgenoten, een kans om ergens in uit te blinken, een kans om te werken aan een algemeen welzijn. Het is een reden ook om buiten te komen ook al voelt men zich mentaal niet goed. Het is een laagdrempelig platform om te oefenen in sociale relaties. Uit de meest recente Vlaamse sportparticipatiecijfers van jongeren tussen de 10 en 17 jaar (Scheerder en Vos, 2011) blijkt dat 3 op 4 van de bevraagden betrokken is in minstens 1 sport. Over de sportparticipatie van jongeren met psychische kwetsbaarheid zijn er geen Vlaamse cijfers voorhanden. Recente internationale data geven echter zeer duidelijk aan dat jongeren met een psychische kwetsbaarheid minder sporten (Vella et al., 2016). Depressieve gevoelens, een lager zelfbeeld, een verminderde fysieke fitheid en nevenwerkingen van psychotrope medicatie (bv. vermoeidheid) kunnen belangrijke barrières tot bewegen zijn.
De eerste resultaten van het lopende onderzoek naar de barrières tot sportdeelname bij jongeren met psychische kwetsbaarheden worden gepresenteerd. Daarnaast wordt er, aan de hand van beeldmateriaal en getuigenissen, een actieplan voorgesteld dat werd opgemaakt via een unieke samenwerking tussen UPC KU Leuven, CGG Passant, Sporta, G-sport Vlaanderen en Parantee-Psylos.
Referenties:
- Scheerder, J., Vos, S., Pabian, S., De Martelaer, K., Lefevre, J. & Philippaerts, R. (2011). Actieve vrijetijdssport in Vlaanderen. Trends, profielen en settings. In: Lievens J., Waege H. (Eds.), Participatie in Vlaanderen 2. Eerste analyses van de Participatiesurvey 2009, (pp. 43-82). Leuven/Den Haag: Acco Academic
- Vella, S., Swann, C., Allen, M., Schweickle, M. & Magee, C. (2016, in press). Bidirectional Associations between Sport Involvement and Mental Health in Adolescence. Med Sci Sports Exerc


S07.2 Motorische vaardigheden van mannelijke adolescenten met een psychiatrische aandoening
Tine Van Damme, PhD, doctor-assistent / psychomotorisch therapeut, Departement Revalidatiewetenschappen, Onderzoeksgroep Aangepaste Bewegingsactiviteiten en Psychomotorische Revalidatie, KU Leuven / Z.org UPC KU Leuven
Binnen de context van de kinder- en jeugdpsychiatrie is het domein van de motoriek een relatief ongekend en jong interessegebied. Een groeiend aantal studies suggereert echter een verhoogde prevalentie van (psycho)motorische problemen bij kinderen en jongeren met een psychiatrische aandoening. Vanuit onderzoek bij kinderen met een coördinatieontwikkelingsstoornis (DCD) zijn er aanwijzingen dat de aanwezigheid van motorische problemen een significante invloed kan uitoefenen op andere ontwikkelingsdomeinen. In deze populatie wordt er een impact gerapporteerd van motorische problemen op emotioneel welbevinden, schools functioneren, sociaal functioneren, etc.
De kennis omtrent de prevalentie, ernst en impact van motorische problemen bij personen met een psychiatrische aandoening - en adolescenten in het bijzonder - is echter gelimiteerd.
Deze bijdrage is gebaseerd op de resultaten van een doctoraal proefschrift omtrent de psychomotorische vaardigheden van adolescenten met een psychiatrische stoornis.
In deze bijdrage geven we een recent overzicht van de huidige kennis omtrent psychomotorische problemen bij adolescenten met een psychiatrische aandoening. We delen de resultaten mee van verschillende studies, waarbij er bijzondere aandacht werd besteed aan de heterogeniteit die een klinische populatie typeert. We staan stil bij de incidentie, het type en de ernst van motorische problemen in deze populatie. Ten slotte wordt er bijzondere aandacht besteed aan de link met andere ontwikkelingsdomeinen. We besluiten deze bijdrage met aandachtspunten en concrete aangrijpingspunten voor de klinische praktijk.


S07.3 De neuropsychologie van pijn en pijn-interventies bij adolescenten.
Philippe Minguet, MSc, vrijwillig wetenschappelijk medewerker, Onderzoeksgroep Aangepaste Bewegingsactiviteiten en Psychomotorische Revalidatie, Departement Revalidatiewetenschappen, Z.org UPC KU Leuven / Kortenberg

Pijn, een kluwen van emoties. Pijn is het gevolg van het activeren van een netwerk van verschillende regionen in onze hersenen, die niet alleen de nociceptie van de pijn bepalen maar ook gedragsmatige, cognitieve en de affectieve component van de pijn. Kennis van deze relaties tussen de pijndimensies en neuropsychologie kan helpen bij de keuze van therapeutische interventies. Het leert de psychomotorisch therapeut te luisteren naar welke elementen in de pijnrapportage/beleving/gedrag het sterkst aanwezig zijn om vervolgens te speculeren dat een bepaald hersendeel daarbij betrokken is en men zich met interventies hier relatief specifiek op kan richten. (Jensen , 2010) Recent onderzoek biedt de psychomotorisch therapeut ook een aangrijpingspunt voor somatoforme stoornissen. Een breed palet van psychologische factoren blijken geassocieerd met de ontwikkeling van somatoforme stoornissen en/of fibromyalgie, zoals: traumatische ervaringen, dysfunctioneel gezinsklimaat, onveilige hechting, het slecht kunnen uiten van emoties etc.  Diffuse pijnklachten en somatoforme aandoeningen weerspiegelen feitelijk de pijnlijke leergeschiedenis van de patiënt. Een leergeschiedenis die gekenmerkt wordt door veel stressvolle gebeurtenissen terwijl dit met afwijzing of onbegrip door de ouders en de omgeving ontvangen werd (emotionele vermijding), waarop de patiënt de communicatie opgeeft en ‘verhard’, en ook leert de eigen emoties uiteindelijk niet meer te voelen door hyperactiviteiten of overmatige rationaliteit. Hij gaat als het ware een vermijdende copingstijl aannemen. Het vraagt geduld en tact van de psychomotorisch therapeut om de veiligheid en de leeromgeving te bieden waarin de patiënt de eigen emotioneel-lichamelijke belevingen weer leert/durft toe te laten en de patiënt ook leert deze weer voor zichzelf en naar anderen tot expressie te brengen in woorden, beweging of mimiek (Lind A.B et al, 2014).
Deze onderzoeken openen de deuren naar de behandeling van fysieke pijn bij jongeren. Ze stellen de therapeuten in staat om de juiste  interventies aan te bieden die de gehele coping omtrent pijn kunnen bijsturen en ook zo de evolutie tot chronische pijn kunnen voorkomen.
Referentie:
- Jensen, M. P. (2010). A Neuropsychological Model of Pain: Research and Clinical Implications. The Journal of Pain, 11(1), 2-12
- Lind, A. B., et al. (2014). Struggling in an emotional avoidance culture: a qualitative study of stress as a predisposing factor for somatoform disorders. J Psychosom Res 76(2): 94-98


S07.4 One mile a day: De impact van een bewegingsproject op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van lagereschoolkinderen
Marthe Vermeulen, MSc, wetenschappelijk medewerker, Onderzoeksgroep Aangepaste Bewegingsactiviteiten en Psychomotorische Revalidatie,Departement Revalidatiewetenschappen, KU Leuven
De laatste decennia is er een wereldwijde trend die wijst op een daling in fysieke activiteit bij kinderen. Fysieke inactiviteit is een belangrijke risicofactor voor zowel lichamelijke als geestelijke gezondheid van kinderen. Verschillende studies rapporteren dat scholen de ideale hoofdsetting is voor de promotie van fysieke activiteit bij kinderen en adolescenten. Hoewel scholen het inactiviteitsprobleem zeker niet alleen kunnen ‘oplossen’, is er geen enkel ander instituut dat meer invloed heeft op de ontwikkeling van kinderen. Bovendien zijn scholen het ideale platform om alle kinderen te bereiken en dit op een laagdrempelige wijze. Recent werd er in Vlaanderen - in meer dan 500 scholen -  gestart met een bewegingsproject ‘One Mile a Day’. Het doel van dit project is om de inactieve blokken tijdens de schooluren te doorbreken door middel van korte, dagelijkse beweegmomenten, met name het lopen of wandelen van één mijl. Leerlingen uit acht scholen namen vrijwillig deel aan een pilootstudie.
In deze bijdrage presenteren we de resultaten van deze studie, waarbij we stil staan bij de invloed van het dagelijkse bewegingsaanbod op een aantal fysieke (BMI, ziektedagen, fysieke fitheid) en geestelijke gezondheidsindicatoren (zelfcompetentie en zelfbeleving, zelf-effectiviteit en emotionele-en gedragsproblemen).


S08 Onderzoek naar vroege signalen van autismespectrumstoornis

voorzitter: Ellen Demurie

S08.0 Inleiding
Ellen Demurie, dr. in de psychologie, postdoctoraal onderzoeker, Universiteit Gent

Autismespectrumstoornis (ASS) wordt gekenmerkt door moeilijkheden in de sociale communicatie en beperkte, repetitieve interesses en gedragingen. Hoewel ouders van een kind met ASS meestal reeds problemen opmerken voor hun kind anderhalf jaar oud is, zijn niet alle hulpverleningsinstanties even vertrouwd met de symptomen van ASS op deze jonge leeftijd. Dit kan ertoe bijdragen dat het stellen van de diagnose ASS, wat voor ouders vaak een emotionele beproeving is, lang kan aanslepen.
Om diagnostiek op jonge leeftijd te verbeteren, wordt er op verschillende manieren onderzoek gedaan naar heel vroege signalen van ASS. Dit gebeurt in retrospectieve studies, waarbij men ouders van kinderen met ASS bevraagt over de vroege ontwikkeling van hun kind. Daarnaast gebeuren er ook prospectieve studies, waarbij kinderen met een verhoogd risico op de stoornis worden opgevolgd: broertjes en zusjes van kinderen met ASS en prematuur geboren kinderen. Beide groepen hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van sociaal-communicatieve problemen, maar daarnaast ook op het krijgen van de diagnose ASS. Door deze kinderen op te volgen vanaf babyleeftijd tot de leeftijd van drie jaar, waarop het doorgaans mogelijk is om de diagnose ASS te stellen, krijgen we meer inzicht in hoe kinderen met ASS op jonge leeftijd verschillen van typisch ontwikkelende kinderen.
Door meer kennis omtrent vroege signalen of ‘rode vlaggen’ voor ASS, hopen we in staat te zijn steeds vroeger ondersteuning te bieden in de sociaal-communicatieve ontwikkeling. Vroege behandeling hangt immers samen met beter functioneren op sociaal-communicatief vlak en andere ontwikkelingsdomeinen.

S08.1 Verloop en prognose van regressie bij kinderen met autismespectrumstoornis
Sofie Boterberg, master klinische psychologie, doctoraatsstudent, Universiteit Gent
Uit onderzoek is gebleken dat de ontwikkeling van ASS-symptomen op verschillende manieren kan verlopen. Bij de meeste kinderen met ASS kunnen we al op zeer jonge leeftijd symptomen zien (vroege aanvang). Echter, bij ongeveer een derde van de kinderen is er sprake van een typische ontwikkeling, gevolgd door een verlies van vaardigheden (bv. taal, sociaal, spel,…) rond het tweede levensjaar. Dit fenomeen wordt ook wel regressie genoemd. Daarnaast zijn er ook kinderen die zowel een vroege aanvang als regressie vertonen en kinderen waarbij sprake is van stagnatie in de ontwikkeling.  
Met deze studie willen we kijken naar het verloop van vroege ontwikkelingstrajecten van ASS en de latere ontwikkeling van deze kinderen.
Ouders van 100 kinderen met ASS (4-10 jaar) worden bevraagd over vroege symptomen bij hun kind. Het huidig functioneren van het kind (ernst van ASS-symptomen en taalvaardigheden) wordt gemeten d.m.v. ouderrapportering (bv. SCQ) en klinische evaluatie (bv. ADOS-2, CELF).
De voorlopige resultaten van 54 kinderen tonen verschillende ontwikkelingstrajecten: vroege aanvang (<18m) met of zonder regressie, latere aanvang zonder regressie (>18m) en typische ontwikkeling gevolgd door regressie of stagnatie. Bij de meeste kinderen met regressie (n=13) was reeds voorheen sprake van sociaal-communicatieve moeilijkheden en stereotiepe gedragingen. Wanneer we kijken naar de latere ontwikkeling van deze kinderen, is er sprake van een lagere non-verbale intelligentie, een grotere achterstand in taalvaardigheden en meer restrictieve en repetitieve gedragingen.  
Implicaties m.b.t. vroegdiagnostiek en behandeling worden besproken.

S08.2 Vroege taalontwikkeling en taalomgeving bij jonge kinderen met een risico op autismespectrumstoornis
Eva Bruyneel, master klinische psychologie en master logopedie, doctoraatsstudent, Universiteit Gent
Kinderen met autismespectrumstoornis (ASS) vertonen een grote variabiliteit in hun taalontwikkeling. Sommige kinderen ontwikkelen weinig tot geen taal, terwijl andere kinderen taalvaardigheden vertonen vergelijkbaar met typisch ontwikkelende kinderen. Jongere broers en zussen van kinderen met ASS (hoog risico(HR)-kinderen) hebben een verhoogd risico op een vertraagde taalontwikkeling. Aangezien de kwaliteit van de vroege taalontwikkeling in hoge mate voorspellend is voor verschillende domeinen (sociaal, maatschappelijk, …) in het functioneren op volwassen leeftijd is het belangrijk de vroege taalontwikkeling bij deze kinderen in kaart te brengen. Het doel van de huidige studie is om de taalontwikkeling in de thuisomgeving van HR-kinderen in kaart te brengen en na te gaan in welke mate dit samenhangt met hun sociaal-communicatieve en algemene ontwikkelingsvaardigheden.
Op de leeftijd van 5, 10 en 14 maanden worden bij HR-kinderen en jongere broers en zussen van typisch ontwikkelende kinderen (laag risico(LR)-kinderen) in de thuisomgeving geluidsopnames gemaakt aan de hand van de LENA.  De LENA genereert automatische scores voor de vocalisaties van het kind en de zorgfiguren en hun onderlinge heen-en-weer gesprekjes. Er zal nagegaan worden of deze scores verschillen tussen HR- en LR-kinderen en in welke mate deze samenhangen met hun scores op de MSEL, N-CDI, NNST en ADOS-2.
Op het congres worden resultaten voorgesteld van 19 kinderen (11 HR; 8 LR). Implicaties betreffende vroegdiagnostiek en vroeg begeleiding worden besproken.


S08.3 Helpgedrag bij jonge broertjes en zusjes van kinderen met autismespectrumstoornis
Ellen Demurie, dr. in de psychologie, postdoctoraal onderzoeker, Universiteit Gent
De sociale motivatietheorie verklaart de sociaal-communicatieve moeilijkheden van kinderen met autismespectrumstoornis (ASS) vanuit een lagere sociale motivatie. Hierdoor zouden kinderen met ASS reeds vanaf jonge leeftijd minder aandacht hebben voor sociale stimuli en minder leerkansen hebben in het omgaan met sociale situaties, waardoor ze geen ‘sociale experts’ worden. Deze lagere sociale motivatie zou dus reeds op jonge leeftijd zichtbaar moeten zijn. De diagnose ASS kan echter pas betrouwbaar gesteld worden vanaf de leeftijd van 2 à 3 jaar.
Daarom onderzochten we in onze studie sociaal gemotiveerd gedrag, meer bepaald helpgedrag, bij 24 jongere broertjes en zusjes van kinderen met ASS, die zelf een hoger risico op de stoornis of sociale moeilijkheden hebben (hoog-risico siblings), en 34 kinderen met een oudere typisch ontwikkelende broer of zus (laag-risico siblings) op de leeftijd van 2 jaar. Dit deden we aan de hand van taken waarbij een onderzoeker een probleem ervaart, dat ze niet kan oplossen zonder de hulp van het kind (ze laat bijvoorbeeld een balpen buiten haar bereik vallen).
Onze resultaten tonen dat hoog-risico siblings minder frequent helpgedrag vertonen dan laag-risico siblings. Wanneer de hoog-risico siblings hielpen, was hun helpreactie bovendien trager. Verder zagen we een samenhang tussen minder helpgedrag en de aanwezigheid van sociaal-communicatieve moeilijkheden. Tijdens het symposium wordt de samenhang van (moeilijkheden in) helpgedrag met het al dan niet krijgen van de diagnose ASS op 3-jarige leeftijd besproken.

S08.4 Kenmerken van autismespectrumstoornis bij prematuur geboren kinderen tijdens de eerste drie levensjaren
Julie Vermeirsch, master klinische psychologie, doctoraatsstudent, Universiteit Gent
Verschillende studies tonen aan dat prematuur geboren kinderen (PGK) te maken krijgen met moeilijkheden in heel diverse gebieden van hun functioneren. Zo worden moeilijkheden vastgesteld op het vlak van motoriek, aandacht, cognitie en taalverwerving. Bovendien is er evidentie voor een hogere prevalentie van psychiatrische diagnoses zoals ADHD en emotionele stoornissen. Daarenboven toont recent onderzoek aan dat er een verband is tussen prematuriteit en autismespectrumstoornis (ASS).
Deze longitudinale studie heeft als doel om het voorkomen en de stabiliteit van kenmerken van ASS te onderzoeken bij een cohorte van 67 zeer PGK (< 30 weken zwangerschap) op de leeftijden van 18, 27 en 36 maanden. Om een allesomvattend beeld te schetsen, wordt er gebruik gemaakt van zowel oudervragenlijsten als een gestandaardiseerd diagnostisch instrument waarbij een score wordt bekomen d.m.v. directe observatie (ADOS-2). Daarnaast worden mogelijke associaties tussen kenmerken van ASS en de vroege motorische, cognitieve en taalontwikkeling onderzocht.
Preliminaire resultaten tonen aan dat ASS-kenmerken substantieel meer voorkomen in deze risicogroep dan in de algemene populatie. Zo scoort 24% van de kinderen positief op de ADOS-2 op driejarige leeftijd. Daarenboven wordt er tussen het tweede en derde levensjaar een daling waargenomen in de oudergerapporteerde ASS-symptomatologie maar een stijging in de klinische scores op basis van observatie. Deze stijging is voornamelijk te wijten aan een verhoogd voorkomen van restrictieve en repetitieve gedragingen. Gedetailleerde resultaten en klinische implicaties worden besproken op het congres.

S09 Kliniek voor Onverklaarde, Lichamelijke en Invaliderende Klachten (KOLIK): een zinvolle benadering?
voorzitter: Johan Vanderfaeillie

S09.0 Inleiding:
Johan Vanderfaeillie, dr., professor Vrije Universiteit Brussel
KOLIK, de Kliniek voor Onverklaarde, Lichamelijke en Invaliderende Klachten, bestaat ondertussen vijf jaar. Dit multidisciplinair centrum werd opgericht in het UZ Brussel in 2012, in navolging van het CVS- referentiecentrum (Chronisch Vermoeidheids Syndroom). KOLIK richt zich tot kinderen en jongeren met lichamelijke, invaliderende klachten waarvoor (nog) geen somatische verklaring werd gevonden. Tijdens een diagnostische opname van twee weken wordt vanuit verschillende disciplines gezocht naar een verklaring voor deze klachten. Op basis van dit onderzoek worden adviezen gegeven met betrekking tot de aanpak van de klachten. In dit symposium wordt in een eerste bijdrage aandacht geschonken aan mogelijke visies op medisch onverklaarde klachten, en samenwerkingswerkmodellen tussen verschillende disciplines die hierbij gebruikt kunnen worden. In een tweede bijdrage wordt ingegaan op de werkwijze van KOLIK. Daarnaast wordt een beeld geschetst van de populatie sinds 2012. Een derde bijdrage tenslotte heeft oog voor de outcome (tevredenheid over de verstrekte adviezen en opvolging van deze adviezen).

S09.1 Kliniek voor Onverklaarde, Lichamelijke en Invaliderende Klachten (KOLIK): actuele inzichten - PDF - PDF
Sam Bonduelle, MD, ASO, UZ Brussel
Pijn en andere lichamelijke klachten komen zeer frequent voor bij kinderen en adolescenten. Vaak wordt geen medische verklaring gevonden voor deze klachten en wordt vermoed dat psychosociale stressoren er (deels) aan de oorsprong van liggen. De presentatie van deze klachten is uiteenlopend in duur, ernst en impact op het functioneren. Een waaier aan termen wordt gebruikt om deze klinische beelden te beschrijven, wijzend op meerdere verklarende modellen, die de nadruk eerder leggen op etiologie, klachtenpatroon of disfunctioneren. Deze modellen kunnen gesitueerd worden op een continuüm van zuiver somatische tot zuiver psychische verklaringen. In de DSM-5 werd nochtans een paradigmashift geïntroduceerd, waarbij de nadruk niet langer ligt op de afwezigheid van een medische oorzaak, maar op de overmatige impact van somatische klachten op het functioneren van een kind. Vanuit deze visie is een multidisciplinaire aanpak, waarbij klachten vanuit een bio-psychosociaal perspectief benaderd worden, aangewezen. In deze bijdrage worden verschillende verklarende modellen toegelicht betreffende het ontstaan en onderhouden van medisch onverklaarde klachten, en worden mogelijke samenwerkingsvormen tussen de medische en psychische sector besproken om zorg op maat te kunnen bieden.

S09.2 Kliniek voor Onverklaarde, Lichamelijk en Invaliderende Klachten (KOLIK): werking en populatie
Katrien Denijs, lic., klinisch psycholoog, UZ Brussel
Psychosomatische klachten worden vaak vanuit een dualistisch standpunt bekeken: “Zijn er geen medische oorzaken, dan zal het wel tussen de oren zitten.” Kinderen, jongeren en hun ouders vinden soms moeilijk antwoorden op hun vragen en worden van het kastje naar de muur gestuurd met vaak tegenstrijdige of onduidelijke boodschappen. In KOLIK wordt door één multidisciplinair diagnostisch team getracht om meer duidelijkheid te scheppen en een gespecialiseerd advies te formuleren.
In deze bijdrage bespreken we onze werking. Tijdens een pediatrische opname worden verschillende elementen in kaart gebracht door een multidisciplinair team bestaande uit een kinderarts, kinder- en jeugdpsychiater, psycholoog, orthopedagoog, kinesitherapeut, alsook zorgverleners en medewerkers van de opname-eenheden. De samenwerking is gebaseerd op een gedeelde visie: vanuit het bio-psychosociaal model worden ongunstige biologische, psychologische en omgevingsfactoren onderzocht die lichamelijke klachten kunnen onderhouden en/of versterken. Gebruikte methoden zijn anamnese, lichamelijk onderzoek, gericht bijkomend medisch onderzoek, individuele gesprekken, gestandaardiseerde vragenlijsten en observaties. We stellen tevens onze patiëntenpopulatie voor. Hiervoor wordt beroep gedaan op registratiegegevens inzake geslacht, leeftijd, psychiatrische en medische diagnoses, lichamelijke klachten, … van onze patiënten.


S09.3 Kliniek voor Onverklaarde, Lichamelijk en Invaliderende Klachten (KOLIK): outcome en tevredenheid
Johan Vanderfaeillie, dr., professor Vrije Universiteit Brussel

Op basis van een multidisciplinair bilan worden door het team op maat gesneden individu-gebonden werkhypotheses voorgesteld, die een verklaring bieden voor de klachten van het kind. Rekening houdend met deze hypotheses, wordt met het kind en zijn/haar ouders nagedacht over wenselijke en/of minimaal noodzakelijke hulpverlening. Echter, een goed verlopen adviesgesprek biedt geen garantie voor het opvolgen van de verstrekte adviezen. In deze bijdrage gaan we na in welke mate adviezen van het KOLIK-team werden opgevolgd door patiënten. Alle moeders van de kinderen die opgenomen werden in KOLIK sinds de oprichting ervan tot 31 december 2016 werden uitgenodigd tot deelname aan het onderzoek (n= 40). De moeders werden bevraagd met behulp van een gestandaardiseerd telefonisch interview. Informatie werd verzameld over de effectief opgestarte hulp binnen de zes maanden volgend op het adviesgesprek, hoe helpend deze hulp werd ervaren, en indien werd afgeweken van het advies, welke de redenen hiervoor waren. Tegelijkertijd werd de tevredenheid over de werking van KOLIK in kaart gebracht. In deze bijdrage worden de eerste resultaten voorgesteld en besproken.


S10 Diversiteit in de hulpverlening: creatieve bruggenbouwers gezocht

voorzitter: Winny Ang

S10.0 Inleiding
Winny Ang, kinder-en jeugdpsychiater Universiteit Antwerpen, Groepspraktijk ‘t_verhaal, DVC Sint-Jozef, Antwerpen
Dit symposium belicht de verrijkende en soms uitdagende aspecten van het werken met een diversiteit aan mensen. Zowel uit praktijk als onderzoek blijkt dat er drie aspecten dit proces faciliteren: kennis, vaardigheden en bewustzijn. Het ‘bewustzijn’ is de hoeksteen om (cultuur)sensitiviteit te ontwikkelen. Het gaat over de bewustwording dat zowel de cliënt als wijzelf met een eigen bril naar de werkelijkheid kijken, dat we allemaal onze referentiekaders hebben. ‘Bruggenbouwen’ tussen verschillende referentiekaders kent geen vastomlijnde handleiding en vraagt creativiteit van hulpverleners.  De verschillende sprekers zijn allen gepassioneerde bruggenbouwers die jullie graag inspireren met inzichten en praktijkervaringen.

S10.1 Jongeren over de ideale hulpverlener
Ruth Kusé, coördinator OTA Ondersteuningsteam, Antwerpen
Het Ondersteuningsteam Allochtonen Antwerpen (OTA) werkt aan de optimalisering van hulp- en dienstverlening aan minderjarigen met een migratieachtergrond. De interculturele bemiddelaars van OTA Antwerpen ondersteunen hulpverleners in de integrale jeugdhulp met als insteek dat cultuursensitief handelen integraal deel uitmaakt van kwalitatieve zorg. OTA sprak met tien jongvolwassenen, stuk voor stuk jonge mensen met een persoonlijke ervaring in de jeugdhulp en met wortels die niet in Vlaanderen liggen. In deze bijdrage wordt dieper ingegaan op wat de jongeren zelf ervaren als goede praktijken en ‘(cultuur)’sensitief werken.

S10.2 Hoe kleur isolement voorkomt: identiteitsontwikkeling en diversiteit
Sofian El Bouazati, docent, systeemtherapeutisch psychotherapeut, Toegepaste psychologie, Thomas More Hogeschool , Antwerpen
Nog nooit hebben ouders, leerkrachten en vrijetijdsbegeleiders vaker identiteitsproblemen bij jongeren gemeld dan de dag van vandaag. 'Allochtone' jongeren weten soms niet zo goed wie ze zijn omdat ze een bepaalde stempel opgedrukt krijgen, omdat de omgeving heel wat verwachtingen heeft, omdat ze niet goed weten wat ze willen, enz … In tijden waar mensen elkaar graag in hokjes duwen lijkt het een enorme waarde om op zoek te gaan naar bestaande verbindingen met de maatschappij en de grote groep waartoe ze behoren. In deze presentatie bespreken we een aantal methodes en manieren om de interessante processen van identiteit van diverse jongeren en hun (gezins)systemen te belichten.

S10.3 Racisme-gerelateerde stress en de effecten ervan op de ontwikkeling van kinderen en jongeren
Birsen Taspinar, psychologe, systeemtherapeute en auteur van het boek “Moeders van de stilte” DLO, Lier
Vanuit de dagelijkse praktijk blijkt dat racisme een onderschat probleem is in de samenleving. In deze presentatie wordt er stilgestaan bij het gevaar van stil, alledaags en onbewust racisme en de mogelijke effecten op de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Deze gevolgen spelen zich af op vlak van schoolse prestaties, welbevinden en sociale relaties. Het is belangrijk na te gaan welke rol we als hulpverlener, ouder, school kunnen spelen in het omgaan met deze stress.

S10.4 Bruggenbouwen vanuit diversiteit: praktijkervaringen in verschillende settings - PDF
Annelies Huybrechts, zelfstandig kinderpsycholoog, systeemtheoretisch psychotherapeut Interactie Academie, Antwerpen
Vanuit de jarenlange expertise in psychotherapeutische hulpverlening aan niet begeleide minderjarige vluchtelingen waarbij een open basishouding centraal staat, worden allerlei methodieken ontwikkeld. 'Levenslijnen en wereldburger' bespreekt bijvoorbeeld op een toegankelijke manier de impact van oorlog en migratie op identiteit met als doel coherentie in verstoorde en verwarde jonge levens te brengen. Een andere methodiek is ‘Trenziria’, een gespreksmethodiek om in groep te reflecteren over cultuur, migratie en identiteit om het samenleven in superdiversiteit te bevorderen. Deze specifieke creatieve methodieken blijken zeer inspirerend en toepasbaar in de 'klassieke' hulpverlening. In deze presentatie komen casussen uit de categoriale residentiële sector en de niet categoriale ambulante sector aan bod met oog voor de soms verrassend parallelle processen.


S11 Nieuwe inzichten inzake de rol van emotieregulatie bij de verklaring en aanpak van internaliserende problemen bij kinderen en adolescenten (Deel I) - PDF

voorzitter: Lien Goossens
S11.0 Inleiding
Lien Goossens, PhD, klinisch psycholoog FPPW, Universiteit Gent
De voorbije jaren is het onderzoek naar de rol van emotieregulatie bij de verklaring en aanpak van psychopathologie bij kinderen en adolescenten toegenomen. Dit symposium biedt een overzicht van enkele nieuwe inzichten op dit domein en dit via studies in zowel de algemene populatie, risicopopulaties alsook klinische groepen. In een eerste presentatie (L. Wante) wordt dieper ingegaan op de verklaring van depressieve symptomen bij adolescenten, en meer specifiek de rol van emotieregulatie hierbij. De tweede presentatie (M.- L. Van Beveren) spitst zich toe op de verklaring van depressieve symptomen bij adolescenten, waarbij nagegaan wordt in welke mate positief temperament en adaptieve emotieregulatie een rol spelen. De mogelijke rol van adaptieve emotieregulatie bij internaliserende problemen wordt verder uitgediept in de derde presentatie (H. Weymeis) waarbij gekeken wordt naar de link met academische prestaties in een risicogroep van kinderen uit het buitengewoon basisonderwijs. De twee laatste presentatie bekijken emotieregulatie in klinische groepen. Zo zal in een vierde presentatie (K. Van Durme) ingegaan worden op het verband tussen onveilige gehechtheid, emotieregulatie en eetstoornissymptomen bij een groep adolescenten met anorexia nervosa. In een laatste presentatie (N. Dewitte) wordt tenslotte stilgestaan bij het effect van een emotieregulatie training gericht op het vergroten van inzicht in emoties en het aanleren van cognitieve herinterpretatie bij jongeren met een angststoornis. In elk van de presentaties zal gefocust worden op mogelijke implicaties van deze nieuwe inzichten voor de klinische praktijk.

S11.1 De rol van emotieregulatie in de relatie tussen cognitieve controle en depressieve symptomen bij adolescenten
Laura Wante, klinisch psycholoog, PhD-student, FPPW, Universiteit Gent
Achtergrond: Voorgaand onderzoek suggereert dat problemen met cognitieve controle een belangrijke kwetsbaarheidsfactor vormen voor depressie. Tot op heden is onderzoek naar de onderliggende mechanismen die de relatie tussen een beperkte cognitieve controle en depressieve symptomen verklaren echter zeer beperkt.
Methode: Deze studie onderzocht de relatie tussen cognitieve controle, emotieregulatie, en depressieve symptomen in een steekproef van 579 adolescenten. Eén van de ouders vulde vragenlijsten in over cognitieve controle en algemene psychopathologie bij hun kind. De jongeren vulden vragenlijsten in over de manier waarop ze hun emoties reguleren en depressieve symptomen. Resultaten. De resultaten tonen aan dat meer cognitieve controleproblemen verbonden zijn met meer depressieve symptomen. Bovendien gebruiken jongeren met meer cognitieve  controleproblemen meer maladaptieve emotieregulatie-strategieën en minder adaptieve emotieregulatie-strategieën. Tot slot zien we dat het gebruik van maladaptieve en adaptieve emotieregulatie-strategieën een onderliggende rol speelt in de relatie tussen cognitieve controle problemen en depressieve symptomen.
Discussie: De resultaten benadrukken een belangrijke rol van emotieregulatie in de relatie tussen cognitieve controle en depressieve symptomen en suggereren dat klinische interventies die focussen op het aanleren van adaptieve emotieregulatie-strategieën belangrijk zijn voor zowel de preventie als de behandeling van depressie. Toekomstig longitudinaal onderzoek is noodzakelijk om de resultaten te repliceren en causale relaties te onderzoeken.


S11.2 Don’t worry be happy: de rol van positief temperament en adaptieve emotieregulatiestrategieën voor depressieve symptomen bij jongeren.
Marie-Lotte Van Beveren, klinisch psycholoog, PhD-student, FPPW, Universiteit Gent
Depressie wordt gekenmerkt door excessief negatief affect en een tekort aan positief affect. Tot nu focuste onderzoek zich voornamelijk op de rol van de gevoeligheid voor negatieve emoties (negatief temperament) als kwetsbaarheidsfactor voor het ontwikkelen van een depressie bij jongeren. Maar, ook een lage gevoeligheid voor positieve emoties (positieve temperament) kan gezien worden als een belangrijke factor die bijdraagt aan een verhoogd risico voor het ontwikkelen van een depressie in de adolescentie. Tot op heden, blijft de link tussen positief temperament en depressieve symptomen bij jongeren grotendeels onderbelicht. Bovendien suggereren cognitief-affectieve modellen van depressie dat een lage gevoeligheid voor positieve emoties bijdraagt aan een beperktere range van adaptieve emotieregulatiestrategieën
Deze studie tracht na te gaan welke adaptieve emotieregulatiestrategieën mogelijks een rol kunnen spelen in het verklaren van de relatie tussen positief temperament en depressieve symptomen bij jongeren. Hiertoe werden 1.655 jongeren (54% meisjes; 7-16 jaar) bevraagd uit verschillende scholen in Deinze, binnen het project Generatie 2020. De jongeren vulden enkele vragenlijsten in die positief temperament, adaptieve emotieregulatiestrategieën en depressieve symptomen in kaart brengen. De resultaten tonen aan dat een lage gevoeligheid voor positieve emoties gelinkt kan worden aan verhoogde depressieve symptomen en dat een tekort aan adaptieve emotieregulatiestrategieën deze relatie deels kan verklaren. Meer specifiek blijken de emotieregulatiestrategieën “afleiding zoeken”, een “positieve stemming oproepen” en “vergeten” een prominente rol te spelen in deze relatie.
De resultaten suggereren dat het belangrijk is oog te hebben voor positieve emoties en adaptieve emotieregulatie in de preventie en behandeling van depressie bij jongeren.


S11.3 Schoolgereedheid Promoten bij At-Risk Kinderen: Adaptieve Emotieregulatie en Bidirectionele Relaties tussen Academische Prestaties en Internaliserende Problemen
Henk Weymeis, klinisch psycholoog, PhD-student, FPPW, Universiteit Gent

Tot op heden zijn de bevindingen in de literatuur inconsistent met betrekking tot de vraag of verminderde academische prestaties (AP) en verhoogde internaliserende problemen wederzijds gerelateerd zijn aan elkaar. Bovendien, hoewel blijkt dat adaptieve emotieregulatie strategieën cruciaal zijn voor zowel het bevorderen van AP als het verminderen van internaliserende problemen, heeft slechts één studie tot nu toe de assumptie onderzocht of adaptieve emotieregulatie de relatie tussen AP en internaliserende problemen voorafgaat, terwijl dit nog niet onderzocht werd voor de omgekeerde relatie tussen internaliserende problemen en AP. Aangezien het promoten van schoolgereedheid vooral belangrijk geacht wordt bij at-risk kinderen, heeft de huidige studie beide assumpties getest bij 61 kinderen uit het buitengewoon basisonderwijs (39 jongens, gemiddelde leeftijd = 10.00 jaar). Leerkrachten rapporteerden over de kinderen inzake adaptieve emotieregulatie, AP en internaliserende problemen. Een mediatieanalyse werd uitgevoerd en de resultaten tonen aan dat adaptieve emotieregulatie gerelateerd is met betere AP en minder internaliserende problemen. De relatie tussen adaptieve en internaliserende problemen werd niet gemedieerd door AP. Wel werd een significant mediatie-effect gevonden van internaliserende problemen op de relatie tussen adaptieve emotieregulatie en AP. De bevindingen worden bediscussieerd met betrekking tot het belang van het ontwikkelen van emotionele competenties bij het beschermen van kwetsbare kinderen tegen academisch falen en verminderd welzijn op school.


S11.4 De relatie tussen onveilige gehechtheid, maladaptieve emotieregulatie, en eetstoornissymptomen bij vrouwelijke adolescenten gediagnosticeerd met Anorexia Nervosa van het Restrictieve type
Kim Van Durme, PhD, klinisch psycholoog, Artevelde Hogeschool, Gent

Inleiding: Huidige studie wenst de theoretische assumpties van het emotieregulatie-model van gehechtheid te toetsen in een klinische groep van vrouwelijke adolescenten gediagnosticeerd met Anorexia Nervosa van het restrictieve type (AN-R). Meer specifiek onderzoekt huidige studie of hechtingsangst en hechtingsvermijding samenhangen met de kernsymptomen van AN-R, i.e. zorgen of eten, gewicht en lichaam enerzijds en lijngedrag anderszijds en of maladaptieve emotieregulatiestrategieën als een interveniërende factor fungeren binnen dit verband.  Methode: Betrouwbare en valide zelf-rapportage vragenlijsten met betrekking tot gehechtheid, emotieregulatie en eetpathologie werden afgenomen bij 52 vrouwelijke adolescenten met AN-R (gemiddelde leeftijd: 14.38 jaar).
Resultaten: De resultaten leveren gedeeltelijke evidentie voor het emotieregulatie-model van gehechtheid. Hechtingsangst was gerelateerd aan zorgen over gewicht, lichaamsvormen en eten via ruminatie (partiële mediatie) terwijl hechtingsvermijding gerelateerd was aan dergelijke zorgen via emotionele controle (indirect effect). In tegenstelling tot de verwachting hing lijngedrag niet significant samen met de onveilige hechtingsdimensies en de maladaptieve emotieregulatie strategieën.
Discussie: Replicatie van huidig onderzoek is noodzakelijk daar de bevindingen klinische implicaties kunnen hebben voor de behandeling van Anorexia Nervosa bij adolescenten.


S11.5 Training van emotieregulatie bij jongeren met een angststoornis: evidentie van zelf-rapportage en psychofysiologische maten
Nele Dewitte, PhD, klinisch psycholoog Thomas More Hogeschool, Mechelen

Angststoornissen zijn de vaakst voorkomende psychische problemen bij adolescenten. Voorgaand onderzoek heeft aangetoond dat jongeren met angststoornissen emoties op een andere manier verwerken en problemen hebben met emotieregulatie. Er is bijgevolg een sterke nood aan onderzoek naar interventies die emotieregulatie kunnen verbeteren. Wij hebben een nieuwe emotieregulatietraining ontwikkeld die gericht is op het vergroten van inzicht in emoties en het aanleren van cognitieve herinterpretatie. Het effect van de training werd onderzocht met behulp van zowel zelfrapportage als psychofysiologische maten in 27 jongeren met een angststoornis en 43 gezonde controles. Na de training werd aan de jongeren gevraagd om de nieuwe strategie te gebruiken in de ‘Psychophysiological Indicators of Emotion Regulation’ (PIER) -taak. Tijdens deze taak werden hartritmevariabiliteit (HRV), pupilverwijding en visuele fixaties geregistreerd. De training had een positieve invloed op zelfgerapporteerde emotieregulatie en angst. Daarenboven bleken fysiologische verschillen tussen de twee groepen op vlak van emotionele reactiviteit verminderd wanneer de participanten emotieregulatie toepasten. Er was echter evidentie dat angstige jongeren een grotere cognitieve inspanning moesten leveren bij het versterken van negatief affect. De huidige studie suggereert dat deze nieuwe emotieregulatietraining een waardevolle toevoeging kan zijn aan de behandeling van angststoornissen bij jongeren.


S12 Levenskwaliteit en gedragsproblemen bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis

voorzitter: Jarymke Maljaars, orthopedagoog, Gezins- en Orthopedagogiek KU Leuven / GAUZZ UPC KU Leuven
S12.0 Inleiding
Kris Evers, psycholoog, Gezins- en Orthopedagogiek / ECA UPC KU Leuven
De afgelopen jaren kwam de persoonlijke, subjectieve beleving van de persoon met autismespectrumstoornis steeds centraler te staan. Mede hierdoor komt het concept ‘levenskwaliteit’ prominenter aan bod, zowel als klinische maat van effectiviteit van hulpverlening, als in het  wetenschappelijk onderzoek. De levenskwaliteit kan om verschillende redenen onder druk staan, zowel bij kinderen en jongeren met als zonder een bijkomende verstandelijke beperking. Gedragsproblemen spelen hierin een belangrijke rol.
In dit symposium willen we een overzicht geven van de huidige stand van zaken met betrekking tot wetenschappelijk onderzoek naar levenskwaliteit bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis. Vervolgens leggen we de link met gedragsproblemen en de aanpak hiervan bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis en een verstandelijke beperking.

S12.1 Levenskwaliteit bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis
Kris Evers, psycholoog, Gezins- en Orthopedagogiek / ECA UPC, KU Leuven

Hoe definiëren we levenskwaliteit? Hoe kunnen we levenskwaliteit meten? Wat zijn aandachtspunten bij het meten van levenskwaliteit bij personen met autismespectrumstoornis? Hoe zit het met de levenskwaliteit van mensen met autismespectrumstoornis? Wat hangt er samen met een hoge (of lage) levenskwaliteit? Op basis van een literatuuroverzicht formuleren we een antwoord op deze vragen.
Referenties:
- Chiang, H.-M., & Wineman, I. (2014). Factors associated with quality of life in individuals with autism spectrum disorders: A review of literature. Research in Autism Spectrum Disorders, 8, 974–986
- Ikeda, E., Hinckson, E., & Krägeloh, C. (2013). Assessment of quality of life in children and youth with autism spectrum disorder: a critical review. Quality of Life Research, 23, 1069–1085
- Tavernor, L., Barron, E., Rodgers, J., & McConachie, H. (2013). Finding out what matters: validity of quality of life measurement in young people with ASD. Child: Care, Health and Development, 39, 592–601
- van Heijst, B. F., & Geurts, H. M. (2015). Quality of life in autism across the lifespan: A meta-analysis. Autism, 19, 158–167


S12.2 Probleemgedrag en levenskwaliteit bij kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis en verstandelijke beperking
Jarymke Maljaars, orthopedagoog, Gezins- en Orthopedagogiek / GAUZZ UPC, KU Leuven
Het samengaan van een ASS met een verstandelijke beperking zorgt voor een verhoogde kans op de aanwezigheid van ernstige en langdurige gedragsproblemen.
Centrum GAUZZ (UPC KU Leuven en Multiversum) begeleidt en behandelt kinderen en jongeren van 6 tot en met 25 jaar met autismespectrumstoornis, die functioneren op het niveau van een matige tot ernstige verstandelijke beperking, met ernstige gedragsproblemen. Aan de hand van gegevens verzameld binnen de hulpverleningstrajecten van kinderen en jongeren binnen Centrum GAUZZ (n = 50) willen we nagaan hoe de aard en ernst van de gedragproblemen bij kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking een impact hebben op de levenskwaliteit van de persoon zelf en zijn/haar directe omgeving. Waarom is het belangrijk om binnen de hulpverlening aan deze doelgroep aandacht te hebben voor levenskwaliteit? Welke aanknopingspunten geeft dit voor begeleiding en behandeling?
Referenties:
- Cervantes, P. E. & Matson, J. L. (2015). Comorbid symptomology in adults with autism spectrum disorder and intellectual disability. Journal of Autism and Developmental Disorders, 45, 3961-3970
- Hastings, R. P., Daley, D., Burns, C. & Beck, A. (2006). Maternal distress and expressed emotion: Cross-sectional and longitudinal relationships with behavior problems of children with intellectual disabilities. American Journal on Mental Retardation, 111, 48–61


S12.3 Dwangmatig gedrag bij matig tot ernstig verstandelijk beperkte kinderen met autismespectrumstoornis
Wilfried Peeters, psycholoog, GAUZZ UPC, KU Leuven
Dwangmatig gedrag komt relatief vaak voor bij matig tot ernstig verstandelijk beperkte kinderen met autismespectrumstoornis. Voor het begrijpen en behandelen van dat dwangmatige gedrag biedt wat bekend is over obsessieve-compulsieve stoornissen bij normaalbegaafden weinig houvast: DSM-criteria zijn weinig bruikbaar bij deze doelgroep en behandelinterventies dienen fundamenteel aangepast te worden aan hun zeer zwakke leervermogen en afwijkende prikkel- en informatieverwerking. Meer ten gronde is het zelfs de vraag of het hier wel om dezelfde stoornis gaat als OCD bij normaalbegaafden: mogelijk spelen andere ontstaansfactoren  en –mechanismen een rol.
Een klinisch meer vruchtbare benadering is om het dwangmatige gedrag bij deze doelgroep te begrijpen als een ontsporing van de herhalingsbehoefte die eigen is aan de manier waarop matig tot ernstig verstandelijk beperkte kinderen met autismespectrumstoornis in de wereld staan. Dwangmatig gedrag is bij deze kinderen geen geïsoleerde comorbide stoornis die bovenop de reeds aanwezige ontwikkelingsstoornissen ontstaat, maar is onlosmakelijk verweven met hun complexe ontwikkelingspathologie.
In deze bijdrage wordt geïllustreerd hoe dwangmatig gedrag bij matig tot ernstig verstandelijk beperkte kinderen met autismespectrumstoornis op die manier beter kan worden begrepen en hoe vandaaruit een aanpak kan worden ontwikkeld die met hun totale problematiek en al hun behandelingsnoden rekening houdt.
Referenties:
- Došen, A. (2005). Psychische stoornissen, gedragsproblemen en verstandelijke handicap: Een integratieve benadering bij kinderen en volwassenen. Assen: Van Gorcum
- Matson, J. & Dempsey, T. (2009). The nature and treatment of compulsions, obsessions, and rituals in people with developmental disabilities. Research in Developmental Disabilities, 30, 603-611


S13 Een blik vanuit de Zelf-Determinatie Theorie op het psychologisch welzijn van kinderen en jongeren: Het belang van behoeftebevrediging in typische en atypische ontwikkeling - PDF

voorzitter: Katrijn Brenning

S13.0 Inleiding
Katrijn Brenning, post-doctoraal onderzoeker, Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent
Hoewel meerdere studies bewijs hebben geleverd voor het belang van de psychologische basisnoden (autonomie, competentie en verbondenheid) voor het psychosociaal welzijn van kinderen en jongeren, blijven een aantal belangrijke thema’s tot nu toe onvoldoende belicht. Dit symposium combineert drie domeinen van nieuwe inzichten binnen Zelf-Determinatie Theorie. Om te beginnen gaat Beatrijs Vandenkerckhove dieper in op de verklarende rol van noodfrustratie als een kritisch mechanisme voor de effecten van persoonlijkheid op depressieve symptomen bij adolescenten. Lisa Dieleman en Sarah De Pauw gaan in op de impact van noodondersteuning en psychologische noodfrustratie bij ouders in de opvoeding van kinderen en jongeren die opgroeien met een beperking (zowel autisme als cerebrale parese). Tot slot wordt door Katrijn Brenning en Inge Antrop vanuit de Zelf-Determinatie Theorie een blik geworpen op emotieregulatie en de rol van behoefte-ondersteunend opvoeden hierbij in zowel een algemene populatie als klinische setting.

S13.1 Persoonlijkheidskwetsbaarheid voor psychopathologie: de verklarend rol van noodfrustratie en emotieregulatie - PDF
Beatrijs Vandenkerckhove, MSc, doctoraatsonderzoeker, Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent
Bart Soenens, Maarten Vansteenkiste - PDF, Patrick Luyten, Katrijn Brenning

Zelfkritisch perfectionisme en afhankelijkheid zijn twee persoonlijkheidskenmerken die het risico op psychopathologie bij adolescenten verhogen. Zelfkritische jongeren hebben de neiging om erg hoge standaarden te stellen en zich zorgen te maken over  fouten. Afhankelijke jongeren hechten dan weer overdreven veel belang aan de bevestiging van anderen.  Toch is er weinig geweten over de onderliggende mechanismen die deze persoonlijkheidskwetsbaarheid verklaren.  Aan de hand van twee onderzoeksvragen willen we meer inzicht krijgen in deze onderliggende mechanismen. Ten eerste gaan we na of behoeftefrustratie, een centraal concept uit de Zelf-Determinatie Theorie, het verband tussen persoonlijkheid en psychopathologie kan verklaren. Onze hypothese houdt in dat zelfkritische en afhankelijke jongeren meer kwetsbaar zijn om psychopathologie te ontwikkelen omdat hun behoefte aan autonomie, verbondenheid en competentie wordt ondermijnd. Ten tweede onderzoeken we de rol van emotieregulatie in dit verband. We veronderstellen dat zelfkritische en afhankelijke jongeren meer maladaptieve emotieregulatiestrategiëen gebruiken waardoor het risico op psychologische problemen groter wordt. Deze hypothesen worden getoetst in een cross-sectionele studie (N=284) en een longitudinale studie (N=146). De resultaten tonen dat behoeftefrustratie het verband tussen persoonlijkheidskwetsbaarheid en psychopathologie (internaliserende en externaliserende problemen) verklaart. Daarnaast bleek ook dat zelfkritische jongeren meer emotionele suppressie hanteren, terwijl afhankelijke jongeren meer emotionele dysregulatie gebruiken. Beide emotieregulatiestrategieën zijn geassocieerd met meer stress en depressie. De longitudinale effecten worden gepresenteerd.

S13.2 Relaties tussen opvoeding, gedragsontwikkeling en psychologische noodfrustratie van ouders bij kinderen en jongeren met een autismespectrumstoornis
Lisa Dieleman, MSc., doctoraatsonderzoeker, Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent

Het opvoeden van een kind met autismespectrumstoornis (ASS) vormt voor vele ouders een uitdaging, die bij velen gepaard gaat met meer opvoedingsstress, verminderd welzijn en verstoorde ouder-kind interacties. Onderzoek toont aan dat de ernst van ASS-symptomen en gedragsproblemen bij het kind hiervoor twee belangrijke determinanten zijn. Deze studie wil de onderliggende processen beter begrijpen door de rol van psychologische noodfrustratie in het samenspel tussen opvoeding(stress) en de gedragsontwikkeling van kinderen met ASS te bestuderen. Data zijn gebaseerd op drie onderzoeken bij ouders van kinderen met ASS: een longitudinaal drie-wave-onderzoek over 9 jaar heen (n = 139, gemiddelde leeftijd kind T1= 10.2), een dagboekstudie (n = 42), en een kwalitatieve interviewstudie (n = 15). De longitudinale studieresultaten onderstrepen de impact van gedragsproblemen van het kind met ASS op de opvoeding. Doorheen de ontwikkeling voorspellen externaliserende problemen van het kind meer negatieve gedragscontrole door ouders die op hun beurt latere externaliserende problemen voorspellen. Op cross-sectioneel niveau vinden we evidentie dat noodfrustratie de relatie tussen externaliseren en negatieve gedragscontrole medieert, de ernst van ASS-symptomen heeft een direct negatief effect met autonomie-ondersteuning. Ook de dagboekstudie suggereert dat psychologische noodfrustratie ook op dagelijks niveau het samenspel tussen gedrag van het kind, de noden van de ouders en de concrete opvoedingsgedragingen beïnvloedt. Doorheen de presentatie proberen we de relevantie van deze empirische onderzoeksresultaten in het dagelijks leven van ouders met een te illustreren door deze te linken aan de belangrijkste thema’s vanuit een fenomologische, ZDT-gebaseerde analyse van kwalitatieve interviews met ouders van kinderen met ASS.


S13.3 Noodondersteunend opvoeden bij kinderen en adolescenten met cerebrale parese: De invloed van differentiële persoonskenmerken van ouder en kind
Sarah De Pauw, professor, Vakgroep Orthopedagogiek en Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Gent

Ook kinderen en jongeren  met ‘special needs’ hebben dezelfde psychologische ‘basic needs’ aan autonomie, verbondenheid en competentie. Echter, tot nog toe werd slechts zeer beperkt onderzoek verricht naar de impact van noodondersteunend/-frustrerend opvoeden in de gedragsontwikkeling van kinderen met een beperking. Deze bijdrage richt de focus op de waarde van Zelf-Determinatie Theorie in de ondersteuning van ouders en hun kinderen met cerebrale parese (CP), de meest voorkomende vorm van fysieke beperking.
De resultaten zijn gebaseerd op een vragenlijstonderzoek naar de antecenten en determinanten van gedragsaanpassing bij 118 kinderen en adolescenten met CP (gemiddelde leeftijd van het kind 10,7 jaar; ouderrapportage). De resultaten tonen aan dat ook bij kinderen met CP, noodondersteunende opvoedingsstrategieën zoals autonomie-ondersteuning en responsiviteit, de gedragsontwikkeling van het kind (gedragssterktes, vitaliteit, kwaliteit van bestaan) positief beïnvloeden. De ervaring van noodfrustrerende opvoedingsstrategieën zoals psychologische en overreactieve gedragscontrole, daarentegen, is een belangrijke voorspeller van probleemgedrag zoals internaliseren en externaliseren. Verdere analyses tonen aan dat noodondersteunend/-frustrerend opvoeden beïnvloed wordt door verschillende kind-, ouder- en contextkenmerken, zoals bijvoorbeeld de persoonlijkheid van de ouder en de aanwezigheid van autismespectrumsymptomen (ASS) bij het kind. Ouders tonen bijvoorbeeld minder autonomie-ondersteuning en meer overreactieve gedragscontrole naarmate hun kinderen meer ASS-symptomen vertonen.


S13.4 Emotieregulatie: Het belang van een behoefte-ondersteunende opvoeding
Katrijn Brenning, post-doctoraal onderzoeker en professor, Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, UGent / Kinder- en Jeugdpsychiatrie, UZ Gent
Dit project onderzoekt de link tussen autonomie-ondersteunende opvoedingsgedragingen en het gebruik van drie emotieregulatie stijlen: emotionele integratie, emotionele suppressie, en emotionele dysregulatie. In een eerste longitudinale studie wordt het verband onderzocht tussen ouderlijke autonomie-ondersteuning en emotieregulatie bij adolescenten uit de algemene populatie. De deelnemers (N = 311) rapporteerden over autonomie-ondersteuning, emotieregulatie, en hun psychologisch welzijn (depressieve symptomen en eigenwaarde). Cross-lagged analyses toonden aan dat autonomie-ondersteuning een toename voorspelt in emotionele integratie en een daling in emotionele suppressie. Emotionele dysregulatie daarentegen voorspelde een afname in moederlijke autonomie-ondersteuning. Met betrekking tot het psychische welzijn van de adolescent, voorspelde emotionele integratie een hoger gevoel van eigenwaarde, terwijl emotionele suppressie een link vertoonde met depressieve symptomen. Samengevat wijzen deze resultaten op het belang van een autonomie-ondersteunende opvoeding voor de verdere ontwikkeling van adaptieve emotieregulatie strategieën bij kinderen. Een tweede cross-sectionele studie die tijdens deze presentatie aan bod komt gaat dit model proberen te repliceren bij een klinische groep van kinderen en jongeren met psychologische moeilijkheden (op heden, N  = 50). Deze dataverzameling is op heden lopende maar preliminaire analyses blijken reeds in lijn te zijn met de bovenstaande onderzoeksbevindingen. De resultaten op basis van de volledige proefgroep, alsook de link met andere relevante onderzoeksvariabelen, worden gepresenteerd.


S14 Behandelingspleegzorg - PDF

voorzitter: Frank Van Holen

S14.0 Inleiding
Frank Van Holen, PhD, directeur Hulpverleningsbeleid Pleegzorg Vlaams-Brabant en Brussel
Het decreet pleegzorg dat in voege trad op 1 januari 2014 onderscheidt verschillende pleegzorgvormen, waaronder behandelingspleegzorg. Het gaat hierbij om: in duur beperkte, intensieve, pleegzorgspecifieke interventies die aangeboden worden op indicatiestelling, en dit bovenop de reguliere pleegzorgbegeleiding.
In dit symposium stellen we twee dergelijke interventies voor, namelijk ‘Samenwerking Ondersteunen in Pleegzorg’ (Robberechts, Vanderfaeillie, & Van Holen, 2016) en de ‘Video-feedback Intervention to Promote Positive Parenting’ (Juffer, Bakermans-Krananburg, Van Ijzendoorn, 2008). We beschrijven telkens eerst de vorm en inhoud van deze interventies en gaan vervolgens in op onderzoek naar effectiviteit.
Referentie:
- Juffer, F., Bakermans-Kranenburg, M. J., & Van IJzendoorn, M. H. (2008). Promoting positive parenting: An attachment-based intervention. Monographs in Parenting Series. New York: Lawrence Erlbaum/Taylor & Francis
- Robberechts, M., Vanderfaeillie, J., & Van Holen, F. (2016). Methodiekhandboek. Samenwerking Ondersteunen in Pleegzorg. Brussel: VUBPRESS

S14.1 Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting adapted to Foster Care (VIPP-FC)
An Roelands, VIPP-SD ondersteuner en trainer, Pleegzorg Oost-Vlaanderen, Gent
Tijdens deze sessie bespreken we de VIPP-FC inhoudelijk. De VIPP-FC werd ontwikkeld aan het Centrum voor Gezinsstudies van de Universiteit Leiden en richt zich op pleegouders met een pleegkind jonger dan zeven jaar. Het doel is het bevorderen van positief ouderschap met aandacht voor positieve interacties, het bevorderen van lichamelijk contact en sensitieve disciplineringstrategieën. Dit gebeurt tijdens zeven huisbezoeken aan de hand van feedback op video-opnames van interacties tussen pleegouder en pleegkind in dagdagelijkse situaties in de thuiscontext. De getrainde hulpverlener bestudeert de videobeelden aan de hand van een gestructureerde handleiding en bereidt persoonlijke feedback en adviezen voor. De videobeelden worden vervolgens samen met de pleegouder bekeken en besproken. De VIPP-FC is een aanpassing van de VIPP-SD methode (Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting – Sensitieve Discipline), met enkele aanvullingen van thema’s die relevant zijn binnen de pleegzorgcontext. Zo wordt ingegaan op missende of erg subtiele gehechtheidsignalen (zoals het niet tonen van de behoefte aan troost), stress-regulatie en het bevorderen van wederzijds sensitief en positief fysiek contact.


S14.2 Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting and Sensitive Discipline (VIPP-SD): verkenning van de literatuur - PDF
Delphine West, PhD-student, Vrije Universiteit Brussel
De interactiestijl van ouders heeft een belangrijke invloed op jonge kinderen en hun algemene ontwikkeling. Ouder-kind interacties zijn idealiter sensitief, waarbij de ouder de noden van het kind opmerkt, correct identificeert en hier op een adequate manier op reageert. Gezien het belang van deze ouder-kind interacties werden video-feedbackprogramma’s ontwikkeld, waarin de focus ligt op het aanleren van een meer sensitieve interactiestijl aan de ouder. Eén van deze programma’s is Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting and Sensitive Discipline (VIPP-SD), dat werd aangepast voor pleegzorgsituaties (VIPP-FC).
In deze review wordt ingegaan op de VIPP-methodiek en de theoretische onderbouw hiervan. Tevens wordt de effectiviteit ervan onderzocht.
De elektronische databanken PubMed, PsycINFo, Web of Science, ProQuest en EBSCO werden systematisch doorzocht. Tien onderzoeken die aan de selectiecriteria voldeden, werden opgenomen. Eén studie had een quasi-experimenteel design. De overige negen onderzoeken betroffen randomised controlled trials.
De VIPP-SD is een effectieve interventie inzake de verhoging van de sensitiviteit van de opvoeders. In slechts één onderzoek worden niet-significante effecten inzake sensitiviteit gerapporteerd. De effecten op hechting, gedragsproblemen en lange termijn zijn minder eenduidig.
Er kan geconcludeerd worden dat de VIPP-SD een effectieve interventie op korte termijn is. De effecten op de kinderen zelf en de langetermijneffecten zijn echter minder duidelijk. Verder onderzoek dat focust op deze punten is gewenst.


S14.3 Samenwerking Ondersteunen in Pleegzorg, een ondersteuningsmethodiek ter bevordering van de samenwerking tussen ouders en pleegouders - PDF
Christine Tanghe, SOP-ondersteuner, teamverantwoordelijke Pleegzorg Vlaams-Brabant en Brussel, Kessel-Lo
Samenwerkingsproblemen tussen ouders en pleegouders zijn een belangrijke oorzaak van breakdown. De geprotocolleerde methodiek ‘Samenwerking Ondersteunen in Pleegzorg’ (SOP) tracht de samenwerking tussen ouders en pleegouders te verbeteren. De bouwstenen zijn bemiddelingstechnieken en factoren die geassocieerd zijn met een betere samenwerking. Gedurende vier maanden wordt intensief modulair met de ouders, pleegouders en de pleegzorgbegeleider gewerkt met als doel om samen tot oplossing(en) te komen en de samenwerking te verbeteren. Tijdens een eerste fase (module 1) doet elke partij zijn verhaal en wordt het probleem verhelderd. Vervolgens kunnen, afhankelijk van de noden, facultatieve modules 2 tot 4 ingezet worden. In module 2 geeft de consulent verduidelijking over de redenen, het perspectief en de voorwaarden van de pleegzorgplaatsing. Module 3 (ouderbegeleiding) biedt de mogelijkheid om in te gaan op de betekenis van het ouder-zijn en invulling van de nieuwe ouderrol. Module 4 helpt pleegouders om het perspectief van ouders in te nemen. In een tweede fase wordt er onderhandeld en worden concrete afspraken op papier gezet (module 5). Een maand later volgt een evaluatie van gemaakte afspraken (module 6).


S14.4 Evaluatie van de methodiek ‘Samenwerking Ondersteunen in Pleegzorg’ (SOP) - PDF
Laurence Belenger, beleidsmedewerker Pleegzorg Vlaams Brabant en Brussel, Halle
De effectiviteit van SOP werd nagegaan met een Randomised Controlled Trial. Deelnemende pleegzorgsituaties werden aan de interventie- (N = 17) of controlegroep (N = 13) toegewezen. Met vragenlijsten werden zowel een algemene beoordeling als subschalen van de samenwerking onderzocht op korte-termijn en lange-termijn bij zowel ouders, pleegouders als pleegzorgbegeleiders.
Op korte-termijn was er een positief effect van SOP voor de globale beoordeling van de samenwerking tussen pleegouders en ouders volgens pleegzorgbegeleiders en pleegouders, maar niet volgens ouders. Bovendien werden voor de volgende subschalen positieve korte-termijn effecten gevonden: volgens ouders: afspraken maken, luistervaardigheid van pleegouders, perceptie van ouders over pleegouders en bijdrage aan samenwerking door pleegouders; volgens de pleegouders: feedback, luistervaardigheid, perceptie en bijdrage vanwege ouders; volgens de pleegzorgbegeleider: feedback, perceptie, bijdrage aan samenwerking en rolduidelijkheid voor ouders. Op lange-termijn bleven de positieve effecten op de globale samenwerking met de ouders volgens pleegouders aanhouden; volgens de pleegzorgbegeleider was dit enkel zo voor de samenwerking tussen pleegouders-vader en volgens de ouders voor hun samenwerking met pleegmoeder. Bovendien waren er positieve lange-termijn effecten volgens de pleegouders voor afspraken maken en omgaan met meningsverschillen; volgens de pleegzorgbegeleider  voor luistervaardigheid en rolduidelijkheid voor de ouders.
SOP is alvast op korte-termijn effectief. Hoewel de resultaten op lange-termijn minder eenduidig zijn en verder onderzoek gewenst is, kan de SOP-methodiek een meerwaarde voor de pleegzorgpraktijk betekenen.


S15 Psychosociale zorg voor kinderen met een chronische medische aandoening en hun gezin

voorzitter: Trui Vercruysse
S15.0 Inleiding:
Trui Vercruysse, klinisch psycholoog en psychotherapeut, kinderhemato-oncologie, UZ Leuven
Een chronische ziekte heeft een grote impact op het emotioneel welbevinden van het opgroeiende kind, jongere en zijn gezin. Op de dienst pediatrie trachten hulpverleners de moeilijkheden die met de ziekte gepaard gaan zo goed mogelijk op te vangen en mee zorg te dragen voor het welbevinden van het kind binnen zijn of haar systeem. In dit symposium staan we stil bij enkele belangrijke thema’s; therapie(on)trouw, angstproblemen al dan niet gerelateerd aan de ziekte, de ontwikkeling van premature of ernstig zieke baby’s. We lichten zowel onderzoek toe als de klinische praktijk en wijzen op het belang van (vroeg)detectie en interventies. We staan ook stil bij de impact op ouders, met name bij vroeggeboorte van de baby en bij de impact op de hulpverleners, met name op hun eigen angsten.

S15.1 Prille relatie in ontwikkeling – ondersteunen van de ouder-kind band bij vroeggeboorte
Bieke Bollen, PhD, psychologe, gecertificeerd NIDCAP-specialist, psycholoog en onderzoekster, Neonatologie UZ Leuven
Wanneer een kind prematuur of ernstig ziek ter wereld komt, worden ouders zeer pril in hun ouderschap overspoeld door hevige emoties. Uit recente literatuur blijkt dat een premature geboorte potentieel traumatisch is voor ouders (Misund et al., 2014).
We presenteren resultaten van onderzoek in UZ Leuven naar stress, depressie en trauma in ouders van prematuur geboren kinderen. We tonen een hoge incidentie van stress en depressieve gevoelens in moeders, en in mindere mate ook vaders, van premature baby’s tijdens de ziekenhuisopname van hun baby. Deze psychologische belasting weerspiegelt zich eveneens in fysiologische stressindicatoren (cortisol waarden).
Daarnaast staan we ook stil bij  het ‘emotionele leven’ van een premature baby. Hoe kunnen we een kwetsbare baby die intensieve zorg nodig heeft helpen zichzelf te reguleren? In de neonatale intensieve zorg groeit de aandacht voor het leren lezen van signalen die een premature baby toont en voor het aanpassen van de medische en verpleegkundige zorg zodat deze de ontwikkeling zoveel mogelijk ondersteunt. We bespreken wetenschappelijke evidentie voor ontwikkelingsgerichte zorg en de belangrijke rol van het betrekken van ouders in deze zorg.
Referenties:
- Misund, A. R., Nerdrum, P. & Diseth, T. H. (2014). Mental health in women experiencing preterm birth, BMC pregnancy and childbirth, 14(1), 263
- Haumont, D., Amiel-Tison, C., Casper, C., Conneman, N., Ferrari, F., Huppi, P. & Pierrat, V. (2013). NIDCAP and developmental care: a European perspective, Pediatrics, 132(2), e551-e552


S15.2 Emotionele impact van de chronische ziekte op het kind en zijn gezin - PDF
Eveline Goethals, klinisch psycholoog en gezinstherapeut, dienst kinderdiabetes, UZ Leuven en KU Leuven
Een chronische ziekte heeft een impact op het emotioneel welbevinden van het opgroeiende kind, de jongere, jongvolwassene en zijn gezin. De behandeling omhelst veelal intensieve dagelijkse opvolging.  Therapietrouw (de mate waarin patiënten hun voorgeschreven behandeling volgen zoals met het behandelend team overeengekomen; WHO, 2003) is een complex gegeven. In deze bijdrage worden de resultaten besproken van een omvattend Vlaams onderzoek rond therapietrouw bij kinderen en jongeren met type 1 diabetes (N=291) waarin zowel jongeren als hun beide ouders werden bevraagd (Goethals et al., 2017). Er wordt vooral ingezoomd op de belangrijke rol van de onderliggende opvoedingsdimensies (responsiviteit, psychologische controle etc.) die ouders hanteren. Er wordt ingegaan op de werkzame factoren in de behandeling en begeleiding door de psycholoog, onder meer gebaseerd op de Zelfdeterminatietheorie (Ryan & Deci, 2000; Vansteenkiste & Soenens, 2015). G
Referenties:
- Goethals, E., Oris, L.,  Soenens, B.,  Berg, C., Prikken, S., Van Broeck, N., Weets, I., Casteels, K. & Luyckx, K. (2017). Parenting and Treatment Adherence in Type 1 Diabetes Throughout Adolescence and Emerging Adulthood. Journal of Pediatric Psychology Special Issue on Adolescent and Young Adult Health (in press).
- Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2000). The" what" and" why" of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior. Psychological inquiry, 11(4), 227-268
- Vansteenkiste, M. & Soenens, B. (2015). Vitamines voor groei: ontwikkeling voeden vanuit de Zelf-Determinatie Theorie. Leuven, Acco


S15.3 De aanpak van angstproblemen binnen een pediatrische setting
Lore Willem, klinisch psycholoog en gedragstherapeut, Dienst kindernefrologie- en orgaantransplantatie en Raadpleging Angst- en Stemmingsstoornissen, dienst Kinder- en Jeugdpsychiatrie, UPC KU Leuven

Studies tonen aan dat kinderen met een chronische ziekte een hoger risico hebben op angstproblemen (Thabrew et al., 2017). Verschillende mechanismen spelen hierbij een rol; de confrontatie met beangstigende stimuli zoals de bedreigende symptomen gerelateerd aan de ziekte en de stresserende en soms onvoorspelbare medische procedures, de angst om de sterven, het ervaren van een verminderde controle over de omgeving etc. (Thabrew et al., 2017). Cognitieve gedragstherapie is een evidence-based behandeling voor angstproblemen bij kinderen, waarbij interventies onder meer gericht zijn op het aanpakken van angstige gevoelens, cognities en gedrag (Huberty, 2012). Bovendien weten we dat het ook belangrijk is om de context te betrekken in het behandelen van angstproblemen bij kinderen. In de presentatie staan we stil bij hoe we bestaande interventies rond angst toepassen binnen een pediatrische setting en hoe we de verschillende contexten (ouders, verpleging, artsen) proberen mee te nemen in onze aanpak.
Referenties:
- Thabrew, H., Stasiak, K., Hetrick, S., Wong, S., Huss, J. & Merry, S. (2017). eHealth interventions for anxiety and depression in children and adolescents with long-term physical conditions (Protocol), Cochrane Database of Systematic Reviews, Issue 1, 1-29
- Huberty, T. (2012). Anxiety and Depression in Children and Adolescents. New York, Springer


S15.4 Als zorgen geen voldoening meer geeft
Trudy Havermans, PhD, gezondheidszorgpsycholoog, klinisch psycholoog, mucoviscidose referentiecentrum, UZ Leuven

Hulpverleners in een kinderziekenhuis zorgen vaak voor kinderen met ernstig chronische ziekten. Deze artsen, verpleegkundigen, kinesisten, sociaal werkers, psychologen en anderen werken in een veeleisende en kritische omgeving waar de grenzen tussen leven en dood, gezond en ongezond, beperking en aftakeling een dagdagelijkse werkelijkheid zijn. Het is hun taak tegemoet te komen aan de vragen en soms ook eisen van patiënten en hun ouders, zij moeten proberen iedereen tevreden te stellen, zij moeten zorgen voor een veilige omgeving, aangepast aan het zieke kind en het gezin, zij moeten kwaliteit van zorg bieden aan een hoge standaard. Het is van belang rekening te houden met de concepten ‘compassion satisfaction’ en ‘compassion fatigue’ in relatie tot burn-out.  Het herkennen van signalen en het ontwikkelen van methodes om hulpverleners te begeleiden en te ondersteunen bij hun veeleisende en emotioneel belastende taak is belangrijk. Hulpverleners staan continu voor de uitdaging om patiënten en ouders te begeleiden zonder zichzelf hierbij te verliezen.
Referenties:
- Maytum, J., Heiman, M. & Garwick, A. (2004). Compassion fatigue and burnout in nurses who work with children with chronic conditions and their families. J. Pediatr Health Care., 18(4):171-9
- Meyer,  R., Li, A., Klaristenfeld, J. & Gold J. (2015). Pediatric novice nurses: examining compassion fatigue as a mediator between stress exposure and compassion satisfaction, burnout, and job satisfaction. J Pediatr Nurs., 30(1):174-83


S16 Allerprilste emoties: wat als het buiten stormt?
voorzitter: Christine Franckx

S16.0 Inleiding
Christine Franckx, kinderpsychiater, dagelijks bestuurder vzw GiO, Antwerpen

De vroeg-kinderlijke gehechtheidrelatie is de basis voor een optimale psycho-emotionele ontwikkeling. “There is no such thing as a baby” merkte de eerste kinderpsychiater, de Britse Donald Winnicott ,op. Er is namelijk steeds een zorgfiguur nodig bij een baby en de relatie tussen beide is een vitale factor voor zijn fysieke en emotionele ontwikkeling. Doch de baby wordt ook geboren met een eigen, unieke capaciteit om de buitenwereld te engageren en is zo van bij het begin een emotioneel communicerend subject. Deze inleiding wil de voornaamste kenmerken van de vroegste emoties en de prille affectieve relaties toelichten, zoals de aanpassingsstrategieën van de baby in stressvolle of nieuwe situaties alsook de specifieke emotionele beschikbaarheid van de zorgfiguur (primaire maternele preoccupatie) in deze levensfase.

S16.1 Invloed van post-partum depressie op de emotionele ontwikkeling van de baby
Bie Peuskens, psychiater, psychotherapeutische praktijk Sibling, Vossem-Tervuren

In deze bijdrage wordt de nauwe band aangetoond tussen moeders depressieve stemming, haar handelend zorgen en afwezige emotionaliteit met de intense psychische reacties van de baby. Zo kan de baby in een  micro-depressie de affectieve vervlakking bij moeder weerspiegelen, of in een verhoogde stresstoestand een frozen aspect aannemen. Het frequente voorkomen (10-20%), de hardnekkige ontkenning ervan omwille van het taboe van de roze wolk én de aangetoonde effecten ervan op de psycho-emotionele ontwikkeling van het kind maken het uiterst belangrijk van dit klinisch beeld onder de aandacht te brengen.

S16.2 The little House of Glass…a never ending story?!
Sarah Wellens, lic. klinische psychologie, psychodynamisch kindertherapeute, kinderpsychologe MIC, Mat, N* en NICU GZA, Wilrijk
In ons land wordt ongeveer 7% van de baby’s prematuur geboren. De laatste jaren is er in de Belgische ziekenhuizen steeds meer aandacht voor de impact van een vroeggeboorte op het prille ouderschap en de vroege ontwikkeling van deze baby’s. De klinische praktijk leert ons echter dat vele van deze gezinnen ook verscheidene jaren na het ontslag uit het ziekenhuis kampen met moeilijkheden. Het gaat dan zowel over het te vroeg geboren kind zelf, maar ook de ouders en oudere én jongere siblings.
Deze klinische bevindingen worden bovendien ook ondersteund door verschillende recente onderzoeksresultaten. Gevoelens van angst, verlies en schuld blijven bij alle gezinsleden, steeds in een andere vorm, rond spoken. Maar twaalf of vijftien jaar na de premature geboorte wordt de link met deze traumatische gebeurtenis niet meer altijd gelegd.
In deze bijdrage wordt verder ingegaan op hoe deze gevoelens precies aanwezig zijn bij de verschillende gezinsleden. Ook de gevolgen voor de onderlinge relaties tussen de ouders en de kinderen en de kinderen onderling worden toegelicht. Wanneer deze gevoelens beter herkend en doorgewerkt kunnen worden, zullen de lange termijngevolgen van premature geboorte op het hele gezinssysteem hopelijk wat minder doorwegen.


S17 Schoolintegratie als een belangrijk protectieve factor voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kleuter tot volwassene: hoe deze optimaliseren bij kinderen met een psychische aandoening?

voorzitter: Bie Tremmery
S17.0 Inleiding
Bie Tremmery, MD, PhD, MSc, kinderpsychiater, docent UPC KU Leuven - Z.org, Kortenberg

Schoolparticipatie is belangrijk voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen en jongeren. Anderzijds is het evenzeer zo dat een positieve schoolbeleving en goede schoolresultaten gedragsproblemen verminderen en de veerkracht van kinderen verhogen. Bij kinderen en jongeren met psychische problemen zijn schoolproblemen veelvuldig aanwezig en neemt de schoolintegratie snel af. In dit symposium willen we ingaan op de mogelijkheden die er zijn voor kinderen met psychische problemen om ondanks hun ziekte maximaal te participeren in de school.

S17.1 Optimale integratie op school: de kracht van teamwerk! - PDF
Inge Van Trimpont, MD, directeur permanente ondersteuningscel CLB GO!, Brussel
Net zoals kinderen met een chronische aandoening, ervaren kinderen en jongeren met psychische aandoeningen moeilijkheden bij het schoollopen. Scholen voelen zich vaak handelingsonbekwaam om met de specifieke onderwijs- en participatiebehoeften van psychisch zieke kinderen om te gaan. Scholen zoeken om in te spelen op de individuele leer- en ontwikkelingsnoden van deze kinderen, maar toch ontstaan er breuken in het leer- en ontwikkelingsproces en lopen deze leerlingen een hoger risico op ongekwalificeerde uitstroom. Dit beperkt hun kansen op volwaardige participatie in de maatschappij als volwassene. Om de kans op een succesvolle schoolloopbaan te verhogen is het van belang om maximaal rekening te houden met de eigenheid van de individuele onderwijsbehoeften van de psychisch zieke kinderen en de ondersteuningsnoden van schoolteams. In deze bijdrage wordt dieper ingegaan hoe een goede samenwerking tussen ouders, leerling, schoolteam, schoolondersteuners, CLB’s en het schoolextern netwerk zoals behandelende artsen en therapeuten en experten in onderwijs aan huis kan ontstaan. Vanuit recente wetenschappelijk inzichten worden de verschillende aspecten van de expertise van de schoolinterne en schoolexterne partners belicht. Tevens wordt stilgestaan bij de specifieke noden van kinderen en jongeren met psychische problemen in het onderwijs. Het voorgestelde integratief model houdt rekening met de wensen en de verwachtingen van het kind met psychische problemen en zijn ouders enerzijds, en die van het schoolteam ten aanzien van hun ondersteuningsopdracht anderzijds.

S17.2 HHE (Home and Hospital Education): een Europees project rond zieke kinderen en schoolparticipatie
Jef Van den Branden, MSc, PhD, gastdocent KULeuven, voormalig pedagogisch directeur Leuvens Instituut Nieuwe Onderwijsvormen KU Leuven, Kortenberg
Schoolparticipatie als ziek kind of jongere vermijdt niet alleen schoolse achterstand, maar is tevens een krachtige hulp op de weg van genezing. Het recent beëindigde LeHo project (Learning at Home and in the Hospital), gesubsidieerd door de Europese Commissie, onderzocht daarom welke voorzieningen in diverse landen van Europa worden aangeboden om kinderen en jongeren gedurende de ziekte- en herstelperiode hun schoolse opleiding te laten vervolgen. Naast hospitaalschool en onderwijs aan huis, werd met name in het bijzonder onderzocht hoe de hedendaagse informatie- en communicatietechnologieën (ICT) mogelijkheden aanreiken om het onderwijsleerproces te ondersteunen. “Geïntegreerd onderwijs” (“traditionele” schoolklassen die ook andersvalide kinderen opnemen, al dan niet met extra leerondersteuning) is ook voor langdurig of chronisch zieke kinderen een interessante leeromgeving, vooral wanneer ze van thuis of hospitaal/revalidatiecentrum uit de lessen met behulp van ICT online kunnen volgen in de eigen klas. Ze blijven daarmee in een vertrouwde onderwijsomgeving en onderhouden ook blijvend contact met klasgenoten, waardoor hun re-integratie na de ziekteperiode veel vlotter gebeurt, en hun sociale netweefsel behouden blijft. Het Europees project verzamelde en deelde daartoe een “toolkit” rond “best practices”, ontwikkelde een handboek voor leerkrachten en formuleerde aanbevelingen voor een Europees model voor HHE-onderwijs. Een en ander gebeurde ook met aandacht voor de problematiek van onderwijs aan kinderen met psychische aandoeningen. De lezing gaat er concreter op in en illustreert met een aantal voorbeelden.


S17.3 (Re-)integratie via synchroon internetonderwijs
Els Janssens, MSc, PhD, directeur Bednet, Leuven
Bednet zorgt ervoor dat kinderen en jongeren die tijdelijk niet naar school kunnen omwille van ziekte, operatie, ongeval of zwangerschap, vanop afstand, de les in hun klas live kunnen volgen. In het onderwijsdecreet wordt deze les vorm omschreven als ‘Synchroon internetonderwijs’. SIO ondersteunt het leerproces, beperkt de leerachterstand en bereidt de terugkeer naar school voor. Door SIO blijft de band van de afwezige leerling met zijn of haar school, leerkrachten en medeleerlingen behouden. In deze presentatie wordt de werking van Bednet toelicht. Bednet laat toe dat de zieke leerling in interactie blijft met zijn klas en zo normaal als mogelijk de les volgt, steeds in functie van de draagkracht van het kind. Bednet is mogelijk vanaf de leeftijd van vijf jaar. Recentelijk werden specifieke toepassingen van Bednet voor kleuters, tienermoeders en kinderen met psychische aandoeningen ontwikkeld. In deze presentatie lichten we de specifieke aanpassingen voor kinderen met een psychische aandoening toe.

S17.4 Bednet-ervaringen voor kinderen en jongeren met psychische problemen
Marion Cardinaels, Bac pedagogie, consulent Bednet, Leuven
Bij de organisatie van SIO (synchroon internetonderwijs) speelt de vzw Bednet een centrale rol. Het verzekert de dienstverlening aan jongeren, ouders en scholen. Uiteraard blijft de school verantwoordelijk voor het onderwijstraject van de leerling. Recent ontwikkelde Bednet een specifieke dienstverlening voor kinderen met psychische problemen. Hierbij werd gekeken op welke wijze Bednet deze kinderen best kon ondersteunen in de verschillende fasen van de Bednet-werking. Twee elementen spelen bij de opstart van Bednet een belangrijke rol, nl. kan de leerlinge voldoende gebruik maken van Bednet en is de leerling in staat om tijdens de lesmomenten van SIO gebruik te maken? In samenspraak met het gezin, de school en de Bednet-consulent wordt gekeken in welke mate de psychische problemen het SIO-gebruik kunnen beïnvloeden en waar oplossingen aangewezen zijn. De Bednet-consulent volgt vervolgens het traject mee op. Dit gebeurt zowel inhoudelijk als organisatorisch en in samenspraak met de betrokken leerkrachten. Ook hier werden aanpassingen voor de leerlingen met psychische problemen doorgevoerd. In deze presentatie licht een Bednet-consulent de eerste ervaringen toe en gaan we dieper in op welke maatregelen op niveau van de school, context én leerling de integratie bevorderen. Toekomstgericht bekijken we de uitdagingen voor een betere implementatie van SIO.

S18 WINGG, onze vliegende start. Werking en good practices vanuit het West-Vlaams integrerend netwerk.’ - PDF
voorzitter: Cedric Kemseke, netwerkcoördinator WINGG
S18.1 Wie het kleine niet eert?
Marijke Vandepitte, kinder- en jeugdpsychiater OBC De Berkjes en netwerk WINGG
De geboorte van een baby en de zorg voor jonge kinderen brengt voor een gezin intense veranderingen en nieuwe kansen met zich mee. Hoe die eerste levensjaren vorm krijgen, beïnvloedt de ontwikkeling een heel leven lang. Het is dan ook van belang om professionele geestelijke gezondheidszorg te bieden aan de allerkleinsten.
Het infantteam dat deel uitmaakt van het mobiele team WINGG - Assertive Care, richt zich op de zorg voor de allerkleinsten en de gezinnen waarin ze opgroeien. We laten ons daarbij inspireren door de Infant Mental Health-visie waarbij de focus ligt op het bevorderen van de kwaliteit van de ouder-kindrelatie om zo de ontwikkeling van het jonge opgroeiende kind te optimaliseren.
De vroege ontwikkeling van hechtingsrelaties kan verstoord worden vanuit de ouderlijke voorgeschiedenis, onverwerkte verlieservaringen en traumatische gebeurtenissen. Het werken met jonge kinderen en hun ouders brengt heel wat emoties met zich mee. De helpende aanwezigheid van een Infant Mental Health-deskundige kan het risico op relationele- en ontwikkelingsmoeilijkheden verminderen en biedt kansen op het ontstaan van warme, veilige en groeibevorderende hechtingrelaties.

S18.2 Netwerken in de (mobiele) praktijk. Integratief experiment tussen de mobiele teams van Crisishulp aan huis (BJB), Kompas aan huis (drughulp) en WINGG-CRISIS (GGZ)
Joke Damman, teamcoördinator Mobiele Teams WINGG
Met de vorming van de netwerken voor geestelijke gezondheidszorg voor kinderen, jongeren en hun context – in West-Vlaanderen: WINGG – wordt ook de opdracht rond mobiele zorg voor psychisch kwetsbare kinderen en jongeren die geen aansluiting vinden bij het reguliere aanbod opgenomen. In West-Vlaanderen keken we voor de concrete invulling van deze opdracht over het muurtje bij onze buren van Crisishulp aan Huis en Kompas aan Huis. We ontdekten dat de taxatie en dispatching van een cliëntsituatie-in-crisis niet altijd eenvoudig is en dat het in het belang van de jongeren en hun context is als wij mekaars werking zo goed mogelijk kennen. Vanuit die gedachte zetten we tussen april en augustus 2017 een experiment op waarbij medewerkers vanuit de mobiele teams onderling uitgewisseld werden en mee op de baan gingen met hun collega’s van een ander mobiel team.
We schetsen we hoe ons integratief experiment tot stand is gekomen, wat het kader van de samenwerking was en welke afspraken we vooraf maakten. U krijgt getuigenissen van de praktijkmedewerkers en een overzicht van de voornaamste conclusies die we op dit moment al kunnen trekken. Tot slot geven we aan op welke manier we op basis van dit experiment in de toekomst verder met elkaar ‘op pad’ gaan.


S18.3 Iedereen boos. Mobiele, individuele Agression Replacement Training
Thijs Veys, trainer Goldstein-methodiek, medewerker Mobiel Team WINGG
Iedereen is wel eens boos. Voortdurend worden we bestookt met prikkels van buitenaf. Het doet iets met mij. Een frustratie steekt de kop op, het moet er uit! Nu!
Boosheid is een reactie, een uiten van onze mening. Maar hoe doen we dat op een correcte manier?
Wanneer boosheid overgaat in agressie is er een probleem. Er wordt van uit gegaan dat kinderen leren niet agressief te zijn. Helaas zijn er verschillende situaties waarin een kind onvoldoende de kansen hiertoe krijgt. Waar moeten ze dan met deze prikkels, frustratie, boosheid naar toe?
Agression Replacement Training (ART) is een efficiënte methode om met deze kinderen en jongeren aan de slag te gaan. De training, ontwikkeld door dhr. Arnold Goldstein, wordt binnen het mobiele team WINGG-CARE door erkende trainers gegeven. Zij gaan, in een tiental sessies, individueel aan de slag met jongeren met een impulscontroleprobleem.
Mobiele, individuele ART: een stand van zaken na een jaar werken!


S19 Hedonisch eten: rol van bottom-up en top-down processen
voorzitter: Sandra Verbeken, Klinische ontwikkelingspsychologie, Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie, Universiteit Gent

Mensen eten niet alleen omdat ze hun energiebalans weer op peil willen brengen en homeostase willen bereiken, maar ook omdat eten plezier verschaft. Zulk hedonisch eetgedag wordt vaak gestuurd door externe factoren, en bepaald door de interactie van bottom-up en top-down zelfregulatieprocessen. Laura Vandeweghe brengt de resultaten van een studie bij kleuters die het verband onderzoekt tussen automatische gedragsregulatie processen en enerzijds voedselvermijding wat een risico kan zijn voor het ontwikkelen van eetproblemen en anderzijds voedseltoenadering wat een risico kan inhouden voor het ontstaan van overgewicht. Eva Van Malderen onderzoekt binnen een niet-klinische groep van jongeren met eetbuien de rol van top-down controleprocessen.
S19.0 Inleiding
Annelies Matton, PhD-student, UGent
De resultaten van een studie die in een groep adolescenten het belang onderzoekt van de interactie tussen bottom-up en top-down processen zoals gemeten aan de hand van temperamentstrekken in de verklaring van eetstijlen worden gepresenteerd.  Tiffany Naets stelt een studie voor die de effectiviteit zal toetsen van een executieve functie training in een klinische groep van jongeren met obesitas. Er zal worden nagegaan wat de rol is van zowel bottom-up als top-down zelfregulatieprocessen op de gewichtscontrole en het welzijn.

S19.1 De link tussen beloningsgevoeligheid, strafgevoeligheid, voedseltoenadering en voedselvermijding bij jonge kinderen - PDF
Laura Vandeweghe, PhD-student, UGent
Onderzoek toonde reeds aan dat de basale karakteristieken beloningsgevoeligheid en strafgevoeligheid gelinkt zijn met verschillende types eetgedragingen in de adolescentie en de volwassenheid. In huidige studie werd onderzocht of gelijkaardige verbanden bestaan in de kindertijd. Meer specifiek werd onderzocht of hoog beloningsgevoelige kinderen meer voedseltoenadering (i.e. gedragingen of gedachten die gekarakteriseerd worden door een beweging naar of een sterk verlangen naar voedsel) stellen, terwijl hoog strafgevoelige kinderen meer voedselvermijding (i.e. gedragingen of gedachten die gekarakteriseerd worden door een beweging “weg van” voedsel) stellen. 98 moeders van kleuters (56.1% jongens; leeftijd: M=4.87; SD=1.13) namen deel aan deze vragenlijststudie. Zoals verwacht vertoonden kinderen met een hogere mate van beloningsgevoeligheid meer voedseltoenadering. Meer specifiek stelden ze meer extern eetgedrag, vertoonden ze een hogere responsiviteit ten opzichte van voedsel en hadden ze meer voedselgerelateerde gedachten en motivaties. Hoog strafgevoelige kinderen vertoonden meer voedselvermijding. Meer specifiek hadden deze kinderen een hogere mate van voedselneofobie (i.e. bang zijn van nieuwe voedingsproducten), vertoonden ze meer kieskeurig en traag eetgedrag, en waren ze responsiever ten opzichte van verzadiging. Deze resultaten tonen aan dat individuele verschillen in belonings- en strafgevoeligheid reeds op jonge leeftijd tot uiting komen en relevant zijn voor eetgedragingen en gedachten bij kleuters. Mede omdat deze twee basale karakteristieken ook in de adolescentie en volwassenheid voorspellers zijn van maladaptieve eetgedragingen en eetstoornissen, is het van belang deze op jonge leeftijd in kaart te brengen.
Referentie:
- Gisle, L. & Demarest, S. (2014). Gezondheidsenquête 2013. Rapport 2: Gezondheidsgedrag en leefstijl. Brussel, W.I.V. WIV-ISP


S19.2 Eetbuien bij adolescenten: wat is de rol van problemen in zelfregulatie? - PDF
Eva Vanmalderen, PhD-student, UGent
Eetbuien zijn een prevalent gegeven bij adolescenten (16% in de algemene populatie tot 40% bij jongeren met overgewicht) en zijn geassocieerd met  ongewenste fysieke en psychosociale ontwikkelingsuitkomsten. Hoewel ze vooral gelinkt zijn aan hedonische processen, eerder dan aan fysieke honger, zijn tot op heden de onderliggende mechanismen ter verklaring van eetbuien nog steeds onduidelijk. Onderzoekers geven aan dat een problematische zelfregulatie en meer specifiek moeilijkheden in inhibitorische controle (IC) een belangrijke factor lijkt te zijn, echter is onderzoek bij adolescenten beperkt en is het nog onduidelijk of deze moeilijkheden voedselspecifiek of algemeen zijn. Bijgevolg heeft deze studie als doel het inzicht in deze mechanismen te vergroten door de rol van IC verder te verduidelijken.
Referentie:
- Lobstein, T. & Jackson-Leach, R. (2014). Estimated burden of paediatric obesity and co-morbidities in Europe. Part 2. Numbers of children with indicators of obesity-related disease. International Journal of Pediatric Obesity, 1(1): 33-41

S19.3 Speelt effortful control een rol ter verklaring van het verband tussen straf- en beloningsgevoeligheid en eetstijlen bij adolescenten? - PDF
Annelies Matton, PhD-student, UGent

Achtergrond: Eetstijlen zoals lijngericht, emotioneel of extern eten komen vaak voor bij adolescenten en kunnen beschouwd worden als mogelijke voorlopers van eetstoornissen. Binnen de verklaring van eetstoornissen wordt vaak een rol toebedeeld aan reactieve temperamentstrekken gevoeligheid voor straf -en beloning. Vroeger onderzoek focust zich voornamelijk op de vraag of eetstoornissen onderling verschillen op vlak van deze reactieve temperamentstrekken. Kwetsbaarheidsmodellen stellen echter voorop dat het risico op psychopathologie afhankelijk is van de interactie tussen reactieve én regulatieve trekken, zoals effortful control (EC). Huidige studie heeft dan ook als doel te onderzoeken of EC een modererende rol speelt bij de verklaring van het verband tussen straf- en beloningsgevoeligheid en verschillende eetstijlen bij adolescente jongens en meisjes.

S19.4 Executieve functies bij jongeren met obesitas: de rol van inhibitie en aandacht - PDF
Tiffany Naets, PhD-student, UGent
Een op vijf van de Belgische jongeren heeft overgewicht of obesitas (1). De gevolgen ervan zijn zowel op lange als korte termijn aanzienlijk, op medisch maar ook op emotioneel vlak (2). Het aanpakken van gewichtsproblemen is daarom cruciaal. Huidige behandelingen die focussen op gewichtscontrole en levensstijlveranderingen boeken succes, maar de langetermijneffecten zijn nog beperkt (3). Executieve functies(EF) kunnen hier mogelijks een verklaring voor bieden, in die zin dat deze jongeren mogelijks zichzelf moeilijker kunnen controleren wanneer ze met verleidelijk voedsel geconfronteerd worden. Concreet verwachten we dat ze hun aandacht top-down moeilijker kunnen wegrichten van ongezond voedsel, en dat ze bottom-up meer toegeven aan de verleiding ervan (3). Op basis van de omvangrijke evidentie voor het belang van deze processen bij obesitas (4), voeren we in deze studie een interventie uit, bovenop de bestaande multidisciplinaire behandeling, om zowel aandacht als inhibitie bij klinisch obese jongeren (14-18 jaar) te trainen via online computertaken. We rekruteren de steekproef uit het Zeepreventorium, verdeeld in een experimentele en een actieve controlegroep. Specifiek verwachten we dat diegenen in de experimentele groep hun EF zullen verbeteren, en dat dit zich zal weerspiegelen in een hoger gewichtsverlies en hoger emotioneel welzijn. We zullen daarbij nagaan welke EF daarvan de sterkste voorspeller is. Deze data worden daarna verder in het project meegenomen, waarbij ook ambulante behandelcentra betrokken worden en waarin we tevens 2 maand- en 6 maand follow-uponderzoek verrichten. Op deze basis trachten we een belangrijke bijdrage te leveren aan het huidig onderzoek naar de meest effectieve behandelmethoden van jeugdobesitas.


S20 Wanneer de zorgschakel het zwakst is en de psychiatrische zorgnood het grootst….
voorzitter: Bie Tremmery

S20.0 Inleiding
Bie Tremmery, MD, PhD, MSc, kinder- en jongerenpsychiater, KU Leuven, Kortenberg
Jongvolwassenheid wordt gekenmerkt door transities op verschillende terreinen. Voor jongvolwassenen met psychische problemen komt er nog een transitie bij, namelijk van jeugd naar volwassen geestelijke gezondheidszorg. Wetende dat elke transitie zijn eigen uitdagingen kent, zeker bij jongeren wiens psychosociale en neuropsychologische ontwikkeling volop bezig is, is het een taak van de hulpverlening om deze transitie maximaal te ondersteunen en te faciliteren. Uit onderzoek echter blijkt dat transitie binnen geestelijke gezondheidszorg allesbehalve soepel verloopt en er een zorg’breuk’ ontstaat tussen de leeftijd van 16 jaar tot jongvolwassenheid. Hoewel deze zorgbreuk reeds langer bestaat, is er pas recent bijzondere aandacht in het actuele geestelijke gezondheidsbeleid voor transitiezorg bij jongvolwassenen. In deze presentatie geven we een samenvatting van in de literatuur beschreven knelpunten bij transitie. Toekomstgericht kijken we hoe er gewerkt kan worden in de richting van een optimale transitie en hoe het Europese Milestoneproject hiertoe kan bijdragen.

S20.1 Voor de sprong
Emmanuël Nelis, MD, kinder- en jeugdpsychiater KASBrugge, AZ Sint-Lucas, Brugge
Adolescenten, hun gezin en de hulpverlening worden uitgedaagd om een afstemming te vinden in de benadering van problemen. De naderende separatie tussen jongere en thuis staat steeds op de agenda. Ook al is dat niet telkens even expliciet gezegd. Dat houdt een opdracht voor hulpverlening in. De tijd loopt. De rugzak dient klaargemaakt voor de sprong: een sprong in de ontwikkeling, een sprong naar ‘volwassen’ hulpverlening, of een afsluiten en afscheid van hulpverlening? Dit verloopt telkens anders. De eindigheid van de jeugd is een uitdaging om in actie te komen, krachten te verzamelen, flexibiliteit in te zetten. Het confronteert ook met niet afgeloste schuld en afrekeningen. Om de transitie van zorg goed te verzekeren zal het soms nodig zijn om samen te springen, mee de brug te slaan, de verbinding mee maken. Nog even dichterbij komen om weer verder te kunnen. Dit proces belichten we vanuit de ervaringen van de adolescentenwerking in een opnamegroep, ambulante en outreachende werking (KAS Brugge, AZ Sint-Lucas Brugge) en in crisisinterventie (EPSI AZ Sint-Jan, AZ Sint-Lucas Brugge). We vertrekken van de beleving van de jongeren, de ouders en de impact op de hulpverlening.


S20.2 Help, ik ben 18, meerderjarig en nog niet volwassen! Hoe een eenheid jongvolwassenen een onderdeel van de jeugdkliniek werd
Geert Everaert, MD, kinder- en jongerenpsychiater jeugdkliniek, Sint Jozef, Pittem

18+ers met psychische kwetsbaarheden voelen zich vaak gedwongen om volwassen te zijn. Op de rand van volwassenheid voelen ze zich in de steek gelaten of zijn ze ‘het allemaal moe’. Ze verdwijnen maar al te vaak uit het zorgsysteem. Sinds 2010 vangen we 18- tot 23-jarigen met residentiële noden op binnen onze eenheid jongvolwassenen in de Jeugdkliniek te Pittem. Deze jongvolwassenen zitten in een heel kwetsbare periode in hun leven. De vele veranderingen komen te vroeg en te snel op hen af en beïnvloeden hun keuzes. Hun omgeving wordt angstig, verliest vertrouwen en gaat controleren of helemaal loslaten. De ontwikkelingstaken cumuleren tot een niveau waarop de jongere overspoeld wordt, waarna ze stagneren. Allemaal ontbreken ze een duidelijk toekomstbeeld. Ze etaleren een onsamenhangende identiteit. Psychiatrische diagnostiek wordt benaderd binnen een ontwikkelingsmatig kader, waarbij de jongvolwassenheid als een ontwikkelingsfase in het verlengde van de adolescentie ligt. Ze hebben nood aan evacuatie en herstelgerichte coaching. Onze voornaamste doelstelling is het rechttrekken van de ontwikkelingsstagnatie binnen een ‘healing environment’ waarin de reële buitenwereld maximaal betrokken wordt, maar waar ze ook jeugdig zichzelf mogen zijn en zo veel mogelijk in hun eigen tempo verder kunnen ontwikkelen.


S20.3 Transitie binnen Europa: Milestone Transition Study en transitienoden binnen de opleiding tot hulpverlener
Gaëlle Hendrickx, MSc, onderzoeker Milestone, KU Leuven, Kortenberg

Er is enerzijds de bevinding dat psychopathologie vanaf jonge leeftijd een hoge persistentie tot in volwassenheid kent en anderzijds blijkt dat de onset van heel wat psychische ziektebeelden samenvalt met een transitieperiode binnen de geestelijke gezondheidszorg. Dit verhoogd risico op psychopathologie bij jongvolwassenen leidt echter niet tot een verhoogde aandacht van de hulpverlening voor deze groep. De Milestone Transition Study volgt 17- tot 18-jarigen, die zich op dat moment binnen de psychiatrische hulpverlening bevinden, gedurende 27 maanden op. Over acht Europese landen heen worden in totaal 1000 jongeren gevolgd waarvan een grote groep uit België afkomstig zijn. Tevens focust ze zich op verschillende bijkomende aspecten om een optimale transitie in de ggz te realiseren. Een belangrijke rol binnen de transitie is weggelegd voor de hulpverlener. Een cruciale vraag die hierbij gesteld kan worden, is de mate waarin de opleiding voor hulpverleners voorziet in transitie gerelateerde thema’s en welke specifieke competenties belangrijk zijn. Een survey bij psychiaters, psychiaters in opleiding en psychologen in Europa werd uitgevoerd. Wat zijn de noden die hulpverleners ervaren en waarin komt de opleiding reeds tegemoet? In de presentatie wordt zowel de Milestone Transition Study belicht als de opleidingsnoden wat betreft de transitiezorg.


S21 Verrassende ontmoetingen: creatieve verbindingen in de hulpverlening
voorzitter: Winny Ang, kinder-en jeugdpsychiater Universiteit Antwerpen, Groepspraktijk ‘t_verhaal, DVC Sint-Jozef, Antwerpen
S21.0 Samen Lezen - PDF
Silvie Moors, artistiek leider De Dagen, Antwerpen
Samen lezen is samen genieten van verhalen, fragmenten en gedichten uit de brede wereldliteratuur. Collectief De Dagen werkt rond schoonheid op kwetsbare plekken. Leesbegeleiders introduceren in verschillende plekken – zorgorganisaties ook specifiek voor jongeren – de kracht van verhalen. In kleine groep proeven de deelnemers van teksten uit alle windstreken en wisselen ze van gedachten. Een passionele lezer begeleidt het gesprek.

S21.1 PhotoVoice
Tom Vansteenkiste, psycholoog, zorginhoudelijk coördinator Multiversum IBW De Link, Mortsel

PhotoVoice is met foto's een stem geven aan mensen in de marge. Het is een visueel-narratieve methodiek én een participatief groepsgebeuren waarbij deelnemers zelf aspecten van hun leven in beeld brengen. Foto’s zijn direct en toegankelijk, met een andere communicatievorm. Ze vergemakkelijken het vertellen van een verhaal en maken het herstelconcept meer tastbaar. Het participatief groepsgebeuren in PhotoVoice werkt empowerend voor de deelnemers, en bevordert een dialoog met zichzelf, de groep en de ruimere context.


S21.2 Levende Bibliotheek
Rik Van Nuffel, stafmedewerker VVGG, Gent

Boeken zijn neergeschreven verhalen. Bibliotheken zijn verzamelingen van verhalen. Mensen zijn vol van verhalen. Levende bibliotheken zijn verzamelplekken waar mensen hun verhalen delen in een-op-een-ontmoetingen. De Levende bibliotheek wordt georganiseerd in publieke ruimten, zoals openbare bibliotheken, en aangekondigd als een bijzondere ervaring, niet als een gesprek over psychische problemen. Een uitstekende formule om op intieme manier de psychische kwetsbaarheid van mensen en hun levenskracht te delen met anderen.

S21.3 Meer dan erfgoed. Erfgoedcollecties, gezondheid en welzijn - PDF
Bart De Nil, stafmedewerker FARO, Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed, Brussel

Dit project maakt gebruik van cultureel-erfgoedcollecties in de gezondheids- en welzijnssector. Object handling is een concept waarbij de therapeutische waarde van objecten op de voorgrond staat. Het (tactiel) aanraken van objecten, het connecteren met andere mensen door middel van objecten of gewoon ‘het bezig zijn’ met objecten leidt tot positieve resultaten op vlak van algemeen welbevinden.

S21.4 Speelse methodieken in de hulpverlening: Trenziria en Habitat - PDF
Annelies Huybrechts, kinderpsycholoog, systeemtheoretisch psychotherapeut, InteractieAcademie, Antwerpen

Trenziria is een gespreksmethodiek die bedoeld is om op een gestructureerde en veilige manier met groepen te reflecteren over cultuur en migratie en de effecten hiervan op identiteit en omgangsvormen tussen mensen. Met behulp van visueel materiaal kunnen deelnemers spreken over migratie-ervaringen, en over verschillen en overeenkomsten in verschillende contexten. Trenziria leidt tot minder gepolariseerde en rijke gesprekken die het samenleven en samenwerken bevorderen.


S22 Emotieregulatie deel II
Roeljan Wiersema

S22.0 Inleiding
Roeljan Wiersema, PhD, ZAP onderzoeksgroep ontwikkelingsstoornissen, Universiteit Gent,
Veel kinderen en jongeren met specifieke problemen (angst, depressie, ADHD, gedragsstoornissen, agressie, obesitas, middelenmisbruik, …) hebben een gemeenschappelijk kenmerk: ze hebben het vaak moeilijk om hun emoties te reguleren. Emotieregulatie wordt daarom beschouwd als een belangrijk transdiagnostisch concept, dat de nodige aandacht verdient, zowel in wetenschappelijk onderzoek als in de klinische praktijk. In dit symposium worden de bevindingen gepresenteerd van recent onderzoek naar emotieregulatie bij ADHD, disruptieve gedragsstoornissen, obesitas, en middelenmisbruik en de implicaties hiervan voor de klinische praktijk worden besproken.

S22.1 Aandacht voor emotieregulatie bij kinderen en jongeren met ADHD - PDF
Roeljan Wiersema, PhD, ZAP Onderzoeksgroep ontwikkelingsstoornissen, Universiteit Gent

Kinderen en jongeren met ADHD hebben niet enkel moeite met het reguleren van hun aandacht en gedrag maar ook van hun emoties. Pas recent zien we echter een sterkere focus op emotieregulatieproblemen in wetenschappelijke studies naar ADHD. Emotieregulatieproblemen zijn geenszins uniek voor ADHD, maar verdienen wel de nodige aandacht. In deze bijdrage schets ik de stand van zaken op basis van de bestaande wetenschappelijke literatuur en onderzoek uitgevoerd binnen onze onderzoeksgroep, gevolgd door een bespreking van de implicaties voor toekomstig wetenschappelijk onderzoek en de klinische praktijk.
Referenties:
- Shaw, P., Stringaris, A., Nigg, J. & Leibenluft, E. (2014). Emotion dysregulation in attention deficit hyperactivity disorder. Am J Psychiatry, 171: 276–293 doi:10.1176/appi.ajp.2013.13070966
- Van Cauwenberge, V., Sonuga-Barke, E.J.S., Hoppenbrouwers, K., Van Leeuwen, K., Wiersema, J.R. (2015). “Turning down the heat”: is poor performance of children with ADHD on tasks tapping “hot” emotional regulation caused by deficits in “cool” executive functions? Res Dev Disabil, 47: 199–207 doi:10.1016/j.ridd.2015.09.012
- Van Cauwenberge, V., El Kaddouri, R., Hoppenbrouwers, K., Wiersema, J.R. (2017). "To make a molehill out of a mountain": an ERP-study on cognitive reappraisal of negative pictures in children with and without ADHD. Clin Neurophysiol, 128(4): 529-537 doi:10.1016/j.clinph.2017.01.008


S22.2 Emotieregulatie bij kinderen met disruptieve gedragsstoornissen
Monica Dhar, PhD, ZAP UA/VUB
Kinderen met disruptieve gedragsstoornissen (DBD) vertonen ten opzichte van typisch ontwikkelende kinderen meer agressief gedrag, zijn sneller gefrustreerd en vaker emotioneel explosief, suggestief voor onderliggende moeilijkheden met emotieregulatie. Ondanks dat deze problemen samenhangen met een slechtere prognose, is er nauwelijks fundamenteel onderzoek verricht naar emotieregulatie bij kinderen met DBD. In deze experimentele studie onderzochten we de cognitieve processen betrokken bij emotieregulatie bij kinderen met DBD. Jongens van 8 tot 12 jaar met en zonder DBD werden onderworpen aan een Go/Nogo taak met emotionele en neutrale gezichten. Met dit paradigma is het mogelijk om de volgende processen te onderscheiden: cognitieve controle, emotieregulatie en discriminatie van emotionele gezichtsexpressies (zie Tottenham, Hare, & Casey, 2011).
Referentie:
- Tottenham, N., Hare, T. & Casey B. (2011). Behavioral assessment of emotion discrimination, emotion regulation, and cognitive control in childhood, adolescence, and adulthood. Front Psychol., 2:39


S22.3 Emotieregulatie bij adolescenten met een middelenmisbruikstoornis - PDF
Brenda Volkaert, doctoraatsstudent, Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheid en Sociale Psychologie, Universiteit Gent
Omwille van het prevalent voorkomen, alsook de schadelijke gevolgen van druggebruik en verslaving in de kwetsbare adolescentie, is het aangewezen om onderliggende mechanismen in kaart te brengen. We toetsten in deze studie de hypothese dat verslaving wijst op ontregelde emotieregulatie en dat er een verband bestaat tussen hechtingservaringen, emotieregulatie en verslaving. Huidige studie gebeurde bij adolescenten, opgenomen in het Residentieel Kortdurend Jongerenprogramma Eeklo, een behandelsetting voor problematisch druggebruik. Er werd geen evidentie gevonden voor een verband tussen de concepten hechting, emotieregulatie en verslaving, maar de additionele analyses tonen aan dat er wel een verband bestaat tussen het geslacht en de lijdensdruk die de adolescent ervaart, alsook tussen adaptieve emotieregulatie strategieën en het aantal depressieve kenmerken. Emotieregulatie moet daarom steeds bekeken worden in functie van de comorbiditeit. Resultaten tonen namelijk aan dat de grote meerderheid van de adolescenten kampt met minstens één andere problematiek (i.e. gedragsstoornis, depressieve stoornis of aandachtstekort-hyperactiviteitstoornis). Deze resultaten vormen een belangrijke basis voor vervolg onderzoek en dragen bij aan de klinische praktijk.

S22.4 Emotieregulatie bij obesitas
Taaike Debeuf, doctoraatsstudent, Universiteit Gent
Obesitas vormt een steeds groter wordend medisch probleem, met heel wat comorbiditeiten, zoals hart- en vaatziekten, en een verminderde levenskwaliteit (Dixon, 2010). Daarenboven zijn de bestaande behandelingen vaak slechts kortdurend succesvol (Oude Luttikhuis et al., 2009). Huidig onderzoek richt zich op vernieuwende aspecten voor de behandeling. Er wordt recent gesteld dat ‘emotional awareness’ een rol speelt binnen de ontwikkeling van obesitas: ‘doordat mensen het onderscheid niet kunnen maken tussen hongerprikkels en emoties (= beperkte emotional awareness), worden emoties als hongerprikkels ervaren en ontstaat emotioneel eten als een vorm van coping’.  Emotioneel eten komt voor bij 50% van de kinderen met obesitas maar, ook bij niet-obese jongeren is het prevalent.
Dit onderzoek is een experiment waarbij 40 kinderen tussen de 8 en 12 jaar met obesitas tijdens hun opname in het zeepreventorium een groepsworkshop aangeboden kregen waarbij ze leerden anders met hun emoties om te gaan. Er zijn drie condities waarin telkens een andere emotieregulatiestrategie werd aangeleerd: (1) aanvaarding, (2) positieve herevaluatie en (3) afleiding. Vooraleer de workshop startte, vulden alle kinderen een vragenlijst rond emotional awareness in. Het onderzoek wil nagaan welk effect de emotieregulatiestrategie heeft op het affect van de kinderen (gemeten via VAS- schalen) en of emotional awareness een voorwaarde vormt om de emotieregulatiestrategieën adequaat te gebruiken. De resultaten zullen gepresenteerd en bediscussieerd worden tijdens het symposium. Ook zullen implicaties voor verder onderzoek en de klinische praktijk worden besproken.
Referenties:
- Dixon, J. (2010). The effect of obesity on health outcomes. Molecular and Cellular Endocrinology, 316 (2), p. 104-108
- Oude Luttikhuis, H. (2009). Interventions for treating obesity in children. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2009(1): p. CD001872


S23 Federaal ADHD-actieplan Inleiding
voorzitter: Marina Danckaerts, prof. dr., diensthoofd kinder- en jeugdpsychiatrie UPC  KU Leuven, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, KU Leuven; coördinator ggz-netwerk voor kinderen en jongeren Vlaams-Brabant, YUNECO UPC KU Leuven

S23.0 Inleiding
Hans Hellemans, kinder-en jeugdpsychiater ZNA UKJA, ADHD-referentiepersoon ggz-netwerk kinderen en jongeren Antwerpen, PANGG

In dit symposium wordt een voorstelling gegeven van de verschillende facetten van het federaal ADHD-actieplan dat momenteel loopt vanuit het FOD volksgezondheid. In een eerste bijdrage worden de algemene doelstellingen en acties van dit project voorgesteld. In een tweede bijdrage worden de resultaten gepresenteerd van een bevraging die in kader van het ADHD-actieplan georganiseerd werd bij hulpverleners in België om de huidige zorg voor kinderen en adolescenten met ADHD in kaart te brengen. In een derde bijdrage wordt de implementatie van de richtlijnen diagnostiek en behandeling bij kinderen en adolescenten met ADHD voorgesteld dat in kader van dit project uitgewerkt werd in lijn met de richtlijnen van de hoge gezondheidsraad. Tot slot zal in een vierde bijdrage het zorgpad voor kinderen en jongeren met ADHD voorgesteld worden.

S23.1 Voorstelling federaal ADHD-actieplan
Erwin Derks, logopedist-audioloog, ADHD-referentiepersoon ggz-netwerk kinderen en jongeren Limburg, LIGANT; CAR Genk vzw en LDSST vzw Groeplitp, Genk
In mei 2016 is vanuit het FOD volksgezondheid in kader van het nieuw geestelijk gezondheidsbeleid voor kinderen en jongeren het federaal ADHD-actieplan van start gegaan, een project dat nog loopt tot eind 2017. Voor dit project is er voor iedere provincie een ADHD-referentiepersoon aangesteld die het project binnen zijn provincie dient uit te werken. Het hoofddoel van het project is het ontwikkelen en implementeren van een zorgpad voor kinderen en jongeren met ADHD in iedere provincie. De volgende subdoelstellingen werden hierbij geformuleerd:
1. Ontwikkeling en implementatie van een programma rond de aanpak van kinderen en jongeren met ADHD (aangepast aan de noden van de regio)
2. Een inventaris opmaken van het zorgaanbod, inclusief een analyse van de gebreken en overlappingen  3. Het beter definiëren van de rollen van de verschillende partners
4. Een ondersteuning bieden aan de eerste lijn.
Om deze doelstellingen te verwezenlijken werden verscheidene nationale en provinciale acties opgestart. In deze bijdrage wordt het kader van ADHD-actieplan geschetst en een overzicht gegeven worden van de verschillende initiatieven die genomen zijn in kader van dit federaal ADHD-actieplan.

S23.2 Resultaten bevraging zorg voor kinderen en jongeren met ADHD in de praktijk in België
Dagmar Van Liefferinge, klinisch psycholoog, ADHD-referentiepersoon en stafmedewerker crosslink GGZ-netwerk voor kinderen en jongeren Vlaams-Brabant, YUNECO; doctoraatsstudent onderzoekseenheid klinische psychologie KU Leuven
Om een zicht te krijgen op het huidige zorgaanbod voor kinderen en adolescenten met ADHD in België werd er een nationale bevraging georganiseerd bij verscheidene diensten (CLB, CAR, K-Diensten, …) en hulpverleners (kinderpsychiaters, psychologen, huisartsen, …). Verscheidene aspecten werden hierbij bevraagd:
- Huidige praktijken m.b.t. diagnostiek bij kinderen en adolescenten met vermoeden van ADHD
- Huidige prakijken m.b.t. behandeling/begeleiding van kinderen en adolescenten met ADHD
- Kennis en samenwerking netwerk zorgverleners ADHD
- Succesfactoren, moeilijkheden en noden m.b.t. zorg voor kinderen en jongeren met ADHD.
Voor deze bevraging werden twee vragenlijsten ontwikkeld, één algemene vragenlijst voor alle hulpverleners en één specifiek voor de CLB’s. De algemene vragenlijst werd ingevuld door 754 respondenten en 110 respondenten vulden de vragenlijst voor de CLB’s in.
In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste bevindingen uit de bevraging.

S23.3 Voorstelling implementatie richtlijnen voor diagnostiek en behandeling bij kinderen en adolescenten met ADHD
Marina Danckaerts, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, KU Leuven / diensthoofd kinder- en jeugdpsychiatrie UPC KU Leuven, coördinator ggz-netwerk voor kinderen en jongeren Vlaams-Brabant, YUNECO UPC KU Leuven

In kader van het federaal ADHD-actieplan diende er een programma diagnostiek en behandeling voor kinderen en adolescenten met ADHD uitgewerkt te worden in lijn met de richtlijnen van de hoge gezondheidsraad. In deze bijdrage wordt een voorstelling gegeven van de algemene lijnen van deze programma’s:
- Programma diagnostiek:
- Signalering en screening van kinderen en adolescenten met een vermoeden van ADHD
- Diagnostiek bij kinderen en adolescenten met een vermoeden van ADHD:
- Programma behandeling/begeleiding:
- Medicamenteuze behandeling?
- Psycho-sociale interventies?
Deze verschillende punten worden aan de hand van een webtool, die ontwikkeld zal worden in kader van dit programma, besproken.


S23.4 Voorstelling zorgpad voor kinderen en adolescenten met ADHD - PDF
Ilse Dewitte, orthopedagoog en gedragstherapeut, kinderen- en jongerentherapeut UPC KU Leuven; ADHD-raapleging, ADHD-referentiepersoon ggz-netwerk kinderen en jongeren West-Vlaanderen, Wingg
Het hoofddoel van het federaal ADHD-actieplan is om voor iedere provincie een zorgpad voor kinderen en jongeren met ADHD uit te werken en te implementeren. In deze bijdrage wordt dieper ingegaan op dit globale zorgpad door de opeenvolgende stappen, beslismomenten en criteria in het zorgproces en de rollen van de verschillende partners binnen detectie, diagnostiek, differentiaal diagnostiek en behandeling te bespreken.


S24 Cross-sectorale samenwerking tussen bijzondere jeugdzorg en kinder- en jeugdpsychiatrie in Antwerpen - PDF
voorzitter: Inge Glazemakers

S24.0 Inleiding
Inge Glazemakers, PhD, klinisch psycholoog, gastprofessor Universiteit Antwerpen (CAPRI), Wilrijk
Bij adolescente meisjes met multipele en complexe noden kan de problematiek zich uiten in het samengaan van psychiatrische problemen, verstandelijke beperking en een ontoereikende gezinscontext, gepaard met een belemmerde socio-emotionele en/of schoolse ontwikkeling. Dit heeft verregaande gevolgen voor de meisjes zelf (o.m. als voorspeller van slechte fysieke en mentale gezondheid, middelenmisbruik, antisociale persoonlijkheidsstoornis en delinquent gedrag op volwassen leeftijd) en hun omgeving, en veroorzaakt bovendien een hoge maatschappelijke kost, mede ten gevolge van institutionalisering. Deze jongeren vergen gezamenlijke aandacht van een grote verscheidenheid aan hulpverleners vanuit verschillende diensten en sectoren, en stellen zeer hoge eisen aan de organisatie en coördinatie van de zorg en de vaardigheden en inzet van de individuele hulpverlener.

S24.1 De weg naar een doorgedreven samenwerking: a bumpy road?
Corine Faché, kinder- en jeugdpsychiater ZNA-UKJA, Antwerpen
Het hulpverleningstraject van personen met multipele complexe noden wordt vaak gekenmerkt door frequente contacten met hulpverleners in verschillende sectoren, die vaak episodische en ongecoördineerde interventies doen. In het bijzonder de tekorten in het zorgaanbod voor adolescente meisjes met multipele complexe noden zijn binnen de verschillende hulpverleningssectoren en op breder maatschappelijk vlak erg actueel en relevant. In het streven naar zorg die wordt gekenmerkt door een doorgedreven intersectorale en interdisciplinaire samenwerking, dienen de verschillende sectoren, voorzieningen en hulpverleners gezamenlijk de verantwoordelijkheid op zich nemen om een flexibel hulpplan, aangepast aan de individuele vragen en noden van de jongeren en hun context te realiseren. Hierbij is een goede afstemming en samenwerking tussen jeugdzorg en kinderpsychiatrie onontbeerlijk. In de werking van begeleidingstehuis Van Celst werd een doorgedreven en intensieve samenwerking tussen deze voorziening van bijzondere jeugdzorg en de kinderpsychiatrie (Universitaire Kinder – en Jeugdpsychiatrie Antwerpen) gerealiseerd, met als doel het optimaliseren van begeleiding en behandeling van de kwetsbare groep adolescente meisjes met multipele en complexe noden. Een dergelijke samenwerking beoogt een inhoudelijke en financiële meerwaarde, en tracht tegemoet te komen aan de nijpende maatschappelijke nood. In deze bijdrage wordt, na  het verduidelijken van de ervaren noden in de hulpverlening aan meisjes met complexe meervoudige problematiek, de concrete uitwerking van de samenwerking tussen kinder- en jeugdpsychiatrie (UKJA) en Jeugdzorg Emmaüs, afdeling Van Celst, toegelicht.

S24.2 Kinderpsychiatrie in bijzondere jeugdzorg
Els Lieckens, klinisch psycholoog, verantwoordelijke residentiële diensten, Jeugdzorg Emmaüs Antwerpen, Schoten
Het zorgaanbod binnen het project Van Celst is innoverend op vlak van de intensiteit van samenwerking en uitwisseling en de gedeelde verantwoordelijkheid tussen medewerkers van begeleidingstehuis Van Celst (bijzondere jeugdzorg, Jeugdzorg Emmaüs) en UKJA (Universitaire Kinder- en Jeugdpsychiatrie Antwerpen). De uitbouw van deze innovatieve werking betekent voor beide partijen een belangrijke investering, die voortdurende afstemming en zelfreflectie vereist, maar gaat ook gepaard met een tastbare meerwaarde op het vlak van de zorgverlening aan cliënten en de omkadering en persoonlijke ontwikkeling van hulpverleners. Dankzij de aangehouden gecombineerde inbreng van expertise en begeleiding vanuit de beide sectoren, kunnen ook meisjes met een acute kinderpsychiatrische problematiek in begeleidingstehuis Van Celst verblijven en succesvol worden begeleid. Dit door de combinatie van zowel een kinderpsychiatrische risicotaxatie en begeleiding vanuit UKJA, als een stabiel en steunend kader met aandacht voor de verdere ontwikkelingstaken, geboden door Van Celst. In deze bijdrage wordt aan de hand van een casus de ervaren meerwaarde van de samenwerking tussen kinder- en jeugdpsychiatrie (UKJA) en Jeugdzorg Emmaüs, afdeling Van Celst, toegelicht.

S24.3 Onderzoeksproject “De meerwaarde van cross-sectorale samenwerking in de trajecten van Van Celst”
Helena Van den Steene, ASO kinder- en jeugdpsychiatrie, Universiteit Antwerpen (CAPRI)
De onderzoeksopdracht “De meerwaarde van cross-sectorale samenwerking in de trajecten van Van Celst” werd uitgeschreven naar aanleiding van de opstart van deze innovatieve werking bij begeleidingstehuis Van Celst. Dit onderzoeksproject hanteert een mixed models benadering, waarbij kwantitatieve en kwalitatieve methodes worden ingezet om te komen tot een doelgroepomschrijving, een beschrijving van de  hulpverleningstrajecten en vooral een evaluatie van de ervaring van de meerwaarde van cross-sectorale samenwerking binnen de trajecten van Van Celst, vanuit de perspectieven van cliënten (jongeren en hun belangrijke naasten) en hulpverleners (betrokkenen vanuit Van Celst en UKJA, en externe partners). Doelstelling is, de huidige werking verder te documenteren en te onderbouwen, en te komen tot aanbevelingen om het zorgaanbod bij Van Celst, maar mogelijk ook in andere settings, te optimaliseren. Tot op heden werd, naast onderbouwend literatuuronderzoek, voor een deel van de onderzoekspopulatie een gedetailleerde dossieranalyse, aangevuld met vragenlijsten uitgewerkt. Tevens werden focusgroepen georganiseerd met de medewerkers van Van Celst en UKJA en met externe partners. Daarnaast werden de jongeren en hun belangrijke naasten bevraagd in diepte – interviews. In deze bijdrage wordt het kader van en de stand van zaken in het onderzoeksproject “De meerwaarde van cross-sectorale samenwerking in de trajecten van Van Celst” toegelicht.